ECLI:NL:CRVB:2006:AY8574
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens geschiktheid voor gangbare arbeid
Appellant meldde zich ziek met rug- en heupklachten en vroeg ziekengeld aan. De verzekeringsarts oordeelde dat appellant per datum ziekmelding geschikt was voor zijn arbeid. Het UWV weigerde daarom de ziekengelduitkering. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel, mede op basis van medische rapporten waaronder die van een orthopeed.
Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel degelijk ongeschikt was, maar leverde geen nieuwe medische onderbouwing. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en zag geen reden voor nader medisch onderzoek. Jurisprudentie bepaalt dat onder "zijn arbeid" wordt verstaan de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid, tenzij de verzekerde na het maximum ziekengeldtermijn niet in die arbeid kan terugkeren; dan geldt gangbare arbeid zoals bij WAO-beoordeling.
In dit geval werd appellant geschikt geacht voor gangbare arbeid, waaronder functies als vleeswarenmaker en productiemedewerker. Omdat appellant niet ongeschikt was voor al deze functies, was hij niet ongeschikt voor "zijn arbeid" in de zin van de Ziektewet. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld omdat appellant geschikt is voor gangbare arbeid.