ECLI:NL:CRVB:2006:AY8630
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Beoordeling medische en arbeidskundige geschiktheid bij WAO-uitkering na ziekmelding vanuit WW-situatie
Appellante meldde zich op 17 juli 2001 arbeidsongeschikt vanuit een WW-uitkeringssituatie. Medische onderzoeken door verzekeringsartsen in 2002 stelden beperkingen vast door surmenage en somatoforme klachten, maar geen zwaardere beperkingen dan aanvankelijk vastgesteld. Een arbeidsdeskundige concludeerde dat er voldoende passende functies met voldoende arbeidsplaatsen voor appellante beschikbaar waren.
Het UWV verklaarde het bezwaar tegen het besluit om geen WAO-uitkering toe te kennen ongegrond. De rechtbank Alkmaar bevestigde dit oordeel, waarbij zij het medisch onderzoek en de arbeidskundige beoordeling als juist beschouwde. De rechtbank vond dat ondanks enkele niet-passende functies er nog voldoende passende functies overbleven.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en ziet geen aanleiding om het besluit te vernietigen. Ook nieuwe medische gegevens uit 2004, betreffende een behandelplan bij een GGZ-centrum, zijn niet doorslaggevend voor de beoordeling. Het verzoek om een psychiater te benoemen werd door de rechtbank terecht afgewezen.
De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit dat appellante geen recht heeft op een WAO-uitkering, omdat zij niet arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO en voldoende passende functies beschikbaar zijn.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante niet arbeidsongeschikt is en geen WAO-uitkering ontvangt.