ECLI:NL:CRVB:2006:AY8643

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2648 CSV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B.J. van der Net
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 CSV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling premiedagen bij ploegendienstschema in sociale werknemersverzekeringen

De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) tegen een uitspraak van de rechtbank Alkmaar over de vraag of rustdagen binnen een ploegendienstschema als premiedagen moeten worden beschouwd onder de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV).

Betrokkene voert een 14-dagen op, 14-dagen af ploegendienstschema in de offshore-sector, waarbij zij stelt dat het UWV ten onrechte premies heeft geheven over dagen waarop geen arbeid werd verricht. De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV dat deze niet-gewerkte dagen als loondagen aanmerkte, wegens strijd met artikel 9, eerste, vijfde en zesde lid van de CSV.

Het UWV betoogde dat artikel 9 CSV Pro een bredere uitleg verdient en dat in repeterende ploegendienstpatronen altijd vijf loondagen per week moeten worden gerekend. De Raad overweegt dat het vijfde lid van artikel 9 CSV Pro vereist dat er ten minste één dag per week arbeid wordt verricht of loon wordt genoten, en dat het schema van 14 dagen werken en 14 dagen niet werken niet leidt tot het toerekenen van premies over de rustdagen.

De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en veroordeelt het UWV in de proceskosten van betrokkene. De beslissing verduidelijkt de toepassing van artikel 9 CSV Pro bij ploegendienstschema's en bevestigt dat rustdagen niet als premiedagen gelden.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat rustdagen in een 14-dagen op, 14-dagen af ploegendienstschema niet als premiedagen mogen worden aangemerkt.

Uitspraak

05/2648 CSV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 28 april 2005, 04/1714 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkene)
en
appellant
Datum uitspraak: 31 augustus 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2006. Appellant heeft zich -met bericht van verhindering- niet laten vertegenwoordigen. Betrokkene is verschenen bij haar gemachtigde mr. J. de Haan, werkzaam bij KPMG Meijburg & Co.
II. OVERWEGINGEN
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde hier van belang.
Nu namens betrokkene ter terechtzitting nogmaals is benadrukt dat de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de vraag of vakantie- en ziektedagen als loondagen in de zin van artikel 9 CSV Pro moeten worden aangemerkt, door haar in hoger beroep niet is bestreden, spitst het geschil zich in hoger beroep toe op de vraag of appellant terecht bij besluit van
6 augustus 2004 de aan betrokkene over het jaar 2003 opgelegde premies ingevolge de sociale werknemers- verzekeringswetten heeft gehandhaafd. Daaraan ligt de vraag ten grondslag of appellant terecht rustdagen in een ploegendienstschema heeft aangemerkt als premiedagen ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten.
Het door betrokkene ingediende bezwaar is ingegeven door de uitspraak van de Raad van 31 mei 2001 (RSV 2001/184). Nu haar werknemers evenzeer in een schema van 14 dagen op en 14 dagen af in ploegendienst werkzaam zijn in de off shore-sector, heeft betrokkene zich op het standpunt gesteld dat er bij de afdracht van premies dienaangaande teveel loondagen in aanmerking zijn genomen en zij om die reden naar een te hoog bedrag premies heeft afgedragen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank -kort gezegd en voor zover hier nog in geschil- overwogen, dat voor wat betreft de berekening van premie over niet-gewerkte dagen binnen een ploegendienstrooster zij geen aanleiding ziet bovenvermelde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep niet te volgen. Nu appellant ten onrechte de dagen waarop deze werknemers niet hebben gewerkt ten gevolge van hun ploegendienstrooster wel als loondagen heeft aangemerkt is hier ten onrechte premies over geheven. Wegens strijd met artikel 9, eerste, vijfde en zesde lid, van de CSV heeft de rechtbank appellants daarop betrekking hebbende, op bezwaar genomen besluit, vernietigd.
Appellant kan zich met dit onderdeel van de uitspraak niet verenigen en blijft zich -kort samengevat- op het standpunt stellen dat de Centrale Raad van Beroep een te beperkte uitleg aan het begrip loondagen geeft. Appellant is daarbij van mening dat in alle gevallen waarin de werknemer werkzaam is in een repeterend patroon van weken waarin als gevolg van ploegendienst meer, en weken waarin minder dan vijf dagen per week wordt gewerkt, toepassing van artikel 9, vijfde en zesde lid, van de CSV tot gevolg heeft dat de werknemer vijf loondagen per week heeft.
De Raad overweegt dienaangaande het volgende.
Met de rechtbank beantwoordt de Raad bovenstaande vraag ontkennend. Ook de Raad is van oordeel dat de werknemers van betrokkene die 14 dagen werken afwisselen met 14 dagen niet-werken arbeid verrichten in ploegendienst als bedoeld in artikel 9, vijfde lid, van de CSV.
Zoals de Raad onder meer in zijn uitspraak van 28 juli 2005, gepubliceerd in USZ 2005/342, dienaangaande reeds tot uitdrukking heeft gebracht, strekt het vijfde lid, van artikel 9 van Pro de CSV niet zo ver, dat ook voor weken waarin in het geheel niet wordt gewerkt of, anders gezegd, waarin geen dagen zijn aan te wijzen waarover loon wordt genoten, niettemin een aantal van vijf zogeheten loondagen in aanmerking dient te worden genomen. De zinsnede “op minder dan vijf dagen per week arbeid verrichtte ” impliceert dat op ten minste één dag arbeid is verricht, dan wel over ten minste één dag loon is genoten. De Raad moet evenwel constateren dat betrokkene in bezwaar reeds heeft aangegeven dat haar situatie volstrekt vergelijkbaar is met de casus die ten grondslag ligt aan de uitspraak van de Raad van 31 mei 2001, nu ook haar werknemers werkzaamheden verrichten in een “14 dagen op - 14 dagen af” schema in de offshore-sector, waarbij tijdens de 14 dagen op 12 uur per dag gewerkt wordt. Nu zulks gedurende de gehele procedure onweerlegd is gebleven, doet evengenoemde situatie van tenminste één dag arbeid of één dag loon per week in haar geval kennelijk niet voor.
Uit het vorenstaande volgt dat appellant bij zijn besluit van 6 augustus 2004 ten onrechte de bezwaren van betrokkene omtrent dit onderdeel ongegrond heeft verklaard.
De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van € 322,- te betalen door het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht wordt geheven van € 422,-.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.M.T. Kruls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2006.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) C.M.T. Kruls.