ECLI:NL:CRVB:2006:AY8687
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep inzake wettelijke rente bij WAO-uitkering
Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Maastricht inzake de toekenning van wettelijke rente aan betrokkene over een nabetaling van de WAO-uitkering.
Betrokkene had bij besluit van 26 juni 1980 een WAO-uitkering toegekend gekregen. Na een verzoek tot herziening in 2002 werd het dagloon met terugwerkende kracht verhoogd, waarna appellant aanvankelijk weigerde wettelijke rente toe te kennen. Op bezwaar werd een bedrag aan wettelijke rente toegekend over de periode van 1 januari 2003 tot de nabetaling in maart 2003.
De rechtbank oordeelde dat wettelijke rente vanaf 14 dagen na het verzoek van 31 oktober 2002 verschuldigd was. Appellant erkende de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit, maar stelde dat de gevolgen daarvan voor risico van betrokkene moesten komen. Bij besluit van 24 mei 2006 werd een bedrag aan wettelijke rente toegekend, vermeerderd met rente over rente.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat het bestreden besluit niet wordt gehandhaafd. Het beroep van betrokkene tegen het besluit van 24 mei 2006 werd ongegrond verklaard, mede gelet op eerdere uitspraken waarin het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van betrokkene ongegrond.