ECLI:NL:CRVB:2006:AY8725

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05/2006 WVG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet voorzieningen gehandicapten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing woonvoorziening badlift op grond van geen medische noodzaak

Appellante verzocht het College van burgemeester en wethouders van Zoetermeer om een woonvoorziening in de vorm van een badlift op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten. Na advies van een indicatie-adviseur, die concludeerde dat appellante weliswaar moeite had met opstaan uit bad, maar geen indicatie voor baden aanwezig was, wees het College het verzoek af. Het bezwaar van appellante werd eveneens ongegrond verklaard.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat niet was gebleken van een medische noodzaak voor een badlift, aangezien appellante in staat was om in bad te douchen en de conclusie van de indicatie-adviseur niet onjuist was.

De Raad merkte op dat indien de situatie van appellante in de toekomst verslechtert, zij een nieuw verzoek kan indienen. Er werd geen aanleiding gezien om appellante in de proceskosten te veroordelen.

Uitkomst: De afwijzing van het verzoek om een badlift als woonvoorziening wordt bevestigd wegens het ontbreken van medische noodzaak.

Uitspraak

05/2006 WVG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 maart 2005, 04/3898 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer (hierna: College),
Datum uitspraak: 20 september 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 9 augustus 2006. Partijen zijn daar niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Op 19 februari 2004 heeft appellante, geboren in 1929, het College verzocht om haar in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) een woonvoorziening in de vorm van een badlift toe te kennen.
Op 9 maart 2004 heeft indicatie-adviseur R. Lubis (Lubis) in het kader van de aanvraag van appellante aan het College advies uitgebracht. In dit advies is aangegeven dat appellante bij hem bekend is met artrose en de restverschijnselen van een auto ongeval in 1973. Daarbij is aangegeven dat appellante weliswaar in staat is om in bad te douchen, maar dat zij slechts met grote moeite uit bad kan opstaan. Lubis komt echter tot de conclusie dat er geen indicatie voor baden aanwezig is.
Bij besluit van 10 maart 2004 heeft het College, onder verwijzing naar het onderzoek van Lubis, de gevraagde voorziening afgewezen.
Bij besluit van 3 augustus 2004 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 maart 2004 ongegrond verklaard op de grond dat de gevraagde voorziening niet medisch noodzakelijk is.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van
3 augustus 2004 ongegrond verklaard.
De Raad overweegt het volgende.
Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad de vraag of het College de aanvraag voor een badlift terecht heeft afgewezen bevestigend. Daartoe overweegt de Raad dat niet is gebleken van een medische noodzaak op grond waarvan appellante is aangewezen op het nemen van een (therapeutisch) bad. Voorts biedt hetgeen appellante naar voren heeft gebracht geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de conclusie van Lubis, dat appellante ten tijde in dit geding van belang voor haar lichaamsreiniging in bad kon douchen, onjuist is. Indien, zoals appellante in haar hoger beroepschrift heeft aangegeven, de situatie in 2005 zodanig is verslechterd dat zij niet meer over de badrand kan stappen om te douchen kan zij zich op basis van deze feiten met een nieuw verzoek tot het College wenden.
Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, uitgesproken in het openbaar op
20 september 2006.
(get) H.J. de Mooij.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen
PR/130906