ECLI:NL:CRVB:2006:AY8818

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-4021 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van herziening arbeidsongeschiktheidsuitkering en passendheid geselecteerde functies

Appellant, arbeidsongeschikt gemeld sinds mei 1999 wegens psychische klachten, kreeg aanvankelijk een volledige WAO-uitkering toegekend. Het UWV herzag deze uitkering per 1 februari 2002 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard door het UWV en bevestigd door de rechtbank.

In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundige voldoende onderbouwd zijn. Hoewel er verschil is tussen eerdere conclusies over de belastbaarheid van appellant, acht de Raad de latere conclusie dat appellant gedeeltelijk belastbaar is, verantwoord gezien zijn dagindeling en herstel.

De Raad bevestigt dat drie van de zes geselecteerde functies passend zijn, mede gelet op de GAF-score en het functioneren van appellant. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot herziening van de WAO-uitkering en de geschiktheid van drie geselecteerde functies.

Uitspraak

04/4021 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 juni 2004, 02/4953 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 20 september 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H. Stoppelenburg, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2006.
Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Sowka.
II. OVERWEGINGEN
Appellant was laatstelijk 38 uur per week werkzaam als transportmedewerker bij de Bloemenveiling Aalsmeer. Hij heeft zich per 10 mei 1999 arbeidsongeschikt gemeld wegens psychische klachten en is na een bezwaarprocedure bij besluit van
18 januari 2002 met ingang van 8 mei 2000 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij besluit van 18 januari 2002 heeft het Uwv de arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van 1 februari 2002 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
Bij besluit van 9 oktober 2002 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het primaire besluit van 18 januari 2002 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de onderzoeksbevindingen van de betrokken verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft in grote lijnen de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.
Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad nog het volgende.
Aan appellant kan worden toegegeven dat de door bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst op 20 juni 2001 getrokken conclusie, dat appellant niet duurzaam belastbaar was, hetgeen ertoe heeft geleid dat aan appellant per 8 mei 2000 een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend, afwijkt van de eerst twee maanden nadien, te weten op 22 augustus 2001, door de verzekeringsarts A.E. Admiraal Hansman in haar rapport van deze datum getrokken conclusie, dat appellant wel gedeeltelijk belastbaar is. Dit laatste rapport heeft ten grondslag gelegen aan het primaire besluit van 18 januari 2002. In navolging van de rechtbank wijst de Raad erop dat hier twee verschillende data ter toetsing stonden, terwijl voorts eerstgenoemde verzekeringsarts in hoofdzaak lijkt te zijn afgegaan op het standpunt van de bedrijfsarts, die appellants ziekmelding per 10 mei 1999 heeft geaccepteerd en appellant eerst per 4 september 2000 weer volledig arbeidsgeschikt achtte. Naar het oordeel van de Raad heeft verzekeringsarts Admiraal Hansman, appellants verhaal consistent en plausibel achtend, maar lettend op diens dagindeling, op verantwoorde wijze geconcludeerd dat niet kan worden gesteld dat appellant niet belastbaar is. Gelet op appellants verminderde energie is toen verder aangenomen dat hij slechts voor 20 uur per week belastbaar was. Bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek heeft appellant eveneens gezien en informatie ingewonnen bij de behandelend sector. Uit gegevens van de behandelend psychiater bleek dat sprake was geweest van ernstige depressieve klachten doch dat deze waren verbeterd en dat sprake was van een gedeeltelijk herstel. Mede gelet op de in de brief van de GGZ buitenamstel van 29 oktober 2001 vermelde GAF-score 61/70 - hetgeen duidt op in het algemeen vrij redelijk functioneren - acht de Raad de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat de productiematige functies - die geen voortdurende werkdruk kennen, en geen noodzaak tot veelvuldig moeten en kunnen hanteren van conflicten - de belastbaarheid van appellant niet te boven gaan, verantwoord.
De Raad onderschrijft verder het oordeel van de rechtbank dat de bezwaararbeidsdeskundige in een rapport van 30 september 2002 afdoende heeft gemotiveerd dat drie van de aanvankelijk geselecteerde zes functies voor appellant geschikt moeten worden geacht.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 september 2006.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) P. van der Wal.