ECLI:NL:CRVB:2006:AY9026

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-3698 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K. Zeilemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbFlexwetgevingAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit beëindiging tijdelijk dienstverband wegens onvoldoende functioneren administratief medewerker

Appellant was van juli 2001 tot november 2003 werkzaam bij de Sociale Dienst Amsterdam, eerst op basis van een arbeidsovereenkomst en daarna als ambtenaar in tijdelijke dienst. Tijdens deze periode zijn vier beoordelingen opgesteld waaruit blijkt dat appellant niet voldeed aan de redelijke eisen die aan zijn functie werden gesteld.

Het college besloot het dienstverband niet te verlengen en dit besluit werd na bezwaar gehandhaafd. Appellant voerde in hoger beroep onder meer aan dat hij wel goed functioneerde in een hogere functie, dat sprake was van vooringenomenheid, dat hij geen functietypering had ontvangen en dat het college onterecht niet had besloten over een verlenging.

De Raad oordeelt dat het college terecht heeft geoordeeld dat appellant niet aan de functie-eisen voldeed, dat er geen aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid en dat het ontbreken van een functietypering niet tot vernietiging leidt. Ook is het college bevoegd het dienstverband niet te verlengen, mede gelet op het advies van de bezwarencommissie. De grief over de flexwetgeving faalt eveneens.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank Amsterdam en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot beëindiging van het tijdelijke dienstverband wordt bevestigd en het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

05/3698 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 april 2005, 04/2123 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college)
Datum uitspraak: 20 september 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens het college is een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan
door mr. A.P. Wasscher, advocaat te Amsterdam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. A.A. Boes-Kouwenhoven en A. de Groot, beiden werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1.Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellant is van 2 juli 2001 tot 1 april 2002 op grond van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam geweest als medewerker dienstverlening bij de regio Centrum van de Sociale Dienst Amsterdam (SDA). Per laatst- genoemde datum is hij bij deze regio aangesteld als ambtenaar in tijdelijke dienst bij wijze van proef voor de duur van één jaar, in de functie van medewerker administratie. Deze aanstelling is verlengd tot 1 november 2003. Daarbij is meegedeeld dat tijdens deze verlenging twee beoordelingen zullen plaatsvinden.
1.2. Op 24 juni 2003 en op 27 augustus 2003 zijn vervolgens beoordelingen opgemaakt. Conclusie van de laatste beoordeling is dat appellant nog steeds niet in staat is om zelfstandig zonder enige begeleiding te functioneren. Bij brief van 1 oktober 2003 heeft het college aan appellant meegedeeld dat het dienstverband met ingang van 1 november 2003 afloopt en dat hem aansluitend geen aanstelling in vaste dienst zal worden verleend. Dit besluit is na bezwaar bij besluit van
31 maart 2004 gehandhaafd.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.
3.1. Met betrekking tot de stelling van appellant dat hij wel goed heeft gefunctioneerd als medewerker dienstverlening, welke functie hoger is gesalarieerd dan die van medewerker administratie, is de Raad met het college van oordeel dat de wijze van functioneren van appellant in ander werk hier niet aan de orde is. Wat in dit geding moet worden beoordeeld is of het college in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat appellant als administratief medewerker niet aan de door het college in redelijkheid te stellen eisen of verwachtingen heeft voldaan. De Raad volgt de rechtbank in haar conclusie dat het bestreden besluit deze toetsing kan doorstaan en onderschrijft de overwegingen die de rechtbank tot die conclusie hebben geleid. Daarbij wijst ook de Raad op de inhoud van de vier beoordelingen die tijdens het dienstverband van appellant zijn opgemaakt. Daaruit komt genoegzaam naar voren dat appellant niet voldeed aan de eisen die aan hem werden gesteld. Dat de laatste beoordeling niet meer formeel is vastgesteld kan daaraan niet afdoen.
3.2. Voor de stelling dat sprake was van vooringenomenheid bieden de stukken geen enkel aanknopingspunt. Dat appellant tijdens zijn proeftijd is overgeplaatst naar een andere afdeling getuigt daarvan zeker niet, integendeel. Het college heeft verklaard dat het bij de SDA gebruikelijk is om wanneer een medewerker niet naar behoren functioneert, hem een geheel nieuwe kans, met nieuwe collega’s en veelal een andere beoordelaar wordt gegeven om zoveel mogelijk objectiviteit in te brengen.
3.3. Dat appellant geen functietypering is overhandigd kan niet meebrengen dat het bestreden besluit geen stand houdt. Appellant heeft verklaard dat hij wist welke werkzaamheden van hem werden verlangd en hij heeft nooit om een functietypering verzocht.
3.4. De grief van appellant dat het college ten onrechte niet heeft besloten over een eventuele verlenging kan niet slagen. Door het college is er terecht op gewezen dat een eventuele verlenging door de bezwarencommissie sociale dienst in de beoordeling is betrokken (en als mogelijkheid is afgewezen), terwijl het college bij zijn bestreden besluit de inhoud van dat advies heeft overgenomen. Overigens acht de Raad in de mededeling dat het tijdelijk dienstverband per 1 november 2003 afloopt de weigering van een verlenging besloten liggen.
3.5. Ter zitting heeft appellant nog verklaard dat hij in totaal vier keer een tijdelijk dienstverband heeft gehad bij de gemeente en daarbij een beroep gedaan op de flexwetgeving. Namens het college is er op gewezen dat niet is voldaan aan de in dit verband in het ARA neergelegde eis dat sprake moet zijn van een periode van meer dan 36 maanden. Ook deze grief slaagt dus niet.
4. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.W. Loots als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 september 2006.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) P.J.W. Loots.