ECLI:NL:CRVB:2006:AY9117
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- N.J. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens afgenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant werd sinds 22 november 1999 arbeidsongeschikt verklaard wegens chronische vermoeidheid en ontving een WAO-uitkering van 80 tot 100% vanaf 20 november 2000. Na onderzoeken in 2001 en 2002 concludeerde een verzekeringsarts dat appellant benutbare mogelijkheden tot arbeid had, met beperkingen, wat leidde tot intrekking van de uitkering per 6 januari 2003.
Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing, stellende dat zijn vermoeidheidsklachten onvoldoende waren meegewogen en dat er sprake was van overschrijding van zijn belastbaarheid. De bezwaarverzekeringsarts bevestigde het eerdere oordeel en het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel.
In hoger beroep betoogde appellant dat de medische beoordeling onvoldoende rekening hield met klachten zonder duidelijke oorzaak en dat er een indicatie was voor urenbeperking. De Raad concludeerde echter dat er geen medisch onderbouwde rapporten waren die meer beperkingen aannemelijk maakten dan reeds erkend. Ook vond de Raad de arbeidskundige beoordeling juist en voldoende toegelicht.
De Raad oordeelde dat de verschillen tussen medische beoordelingen verklaarbaar zijn door het tijdsverloop en dat het UWV niet gebonden is aan eerdere medische taxaties. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wegens afgenomen arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.