ECLI:NL:CRVB:2006:AY9122
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- N.J. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van medische en arbeidskundige grondslag bij WAO-uitkering
Appellant heeft tegen meerdere besluiten van het UWV over zijn WAO-uitkering hoger beroep ingesteld. Het eerste besluit, waarin een arbeidsongeschiktheid van 25-35% werd vastgesteld, is vernietigd door de rechtbank vanwege een ontoereikende arbeidskundige grondslag. Het tweede besluit, eveneens een vaststelling van 25-35% arbeidsongeschiktheid, werd door de rechtbank bevestigd.
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang, omdat het tweede besluit de aanspraken van appellant opnieuw regelt. De Raad oordeelt dat de medische beperkingen zoals opgenomen in de Functionele Mogelijkheden Lijst van februari 2002 juist zijn vastgesteld, waarbij rekening is gehouden met nek-, schouder- en rugklachten. Appellant heeft geen aanvullende medische stukken overgelegd ter onderbouwing van extra beperkingen.
Ook de arbeidskundige beoordeling van het tweede besluit acht de Raad voldoende gemotiveerd. De geschiktheid van drie functies waarop de schatting is gebaseerd, is adequaat toegelicht. De Raad ziet geen reden het besluit onjuist te achten en verklaart het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. Daarmee wordt het tweede besluit bevestigd en het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het eerste besluit wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het tweede besluit wordt ongegrond verklaard.