ECLI:NL:CRVB:2006:AY9213

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-5783 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
  • G.J.H. Doornewaard
  • J. Riphagen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante had beroep ingesteld tegen de weigering van het UWV om haar een WAO-uitkering toe te kennen, omdat zij volgens eigen medische rapporten op 12 mei 2003 niet in staat was om duurzaam regulier werk te verrichten. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel.

De Raad nam kennis van een contra-expertise door zenuwarts Busard, die stelde dat appellante vanwege fibromyalgie niet fulltime kon werken. De Raad liet echter een onafhankelijke psychiater benoemen, die concludeerde dat de klachten subjectief waren en geen psychiatrische afwijkingen aanwezig waren. De psychiater vond dat appellante gemiddeld 40 uur per week arbeid kon verrichten.

De Raad volgt zijn vaste rechtspraak dat het oordeel van een onafhankelijke deskundige door de bestuursrechter ingeschakeld, leidend is, tenzij bijzondere omstandigheden dit verhinderen. Omdat die omstandigheden ontbraken, achtte de Raad geen reden om af te wijken van de eerdere medische beoordelingen. Ook de arbeidskundige grondslag van het besluit werd niet betwist. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de weigering van de WAO-uitkering.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering omdat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt was op 12 mei 2003.

Uitspraak

04/5783 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (Ameland) (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 15 september 2004, 03/1081 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 29 september 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2006. Appellante noch haar gemachtigde is, zoals tevoren aangekondigd, verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door I. Smit.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
Bij besluit van 25 april 2003 heeft het Uwv geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, aangezien appellante, na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, op
12 mei 2003 minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Daartoe is in aanmerking genomen dat appellante op die datum niet geschikt was voor haar voormalige werk als fulltime receptioniste/telefoniste bij een recreatieoord, onder meer vanwege de pieken in dat werk, maar wel geschikt was voor het vervullen van de door de arbeidsdeskundige geduide functies. Bij het bestreden besluit van 10 september 2003 heeft het Uwv die beslissing gehandhaafd.
De rechtbank heeft het daartegen door appellante ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
In hoger beroep is namens appellante herhaald dat zij op 12 mei 2003 zodanige beperkingen had in haar lichamelijke en psychische belastbaarheid dat zij de geduide functies niet kon vervullen. Zij is van mening dat de rechtbank ten onrechte aan de bevindingen van de zenuwarts dr. H.L.S.M. Busard, die haar opvatting heeft bevestigd, is voorbij gegaan.
De Raad overweegt het volgende.
Het Uwv heeft zijn standpunt omtrent de belastbaarheid van appellante gebaseerd op twee medische rapporten. Het eerste rapport bevat de resultaten van het door de primaire verzekeringsarts H. de Vries uitgevoerde onderzoek. Deze heeft de door hem, naar de datum van 12 mei 2003, op grond van dit onderzoek bij appellante geconstateerde beperkingen van de belastbaarheid vastgelegd in een functionele mogelijkhedenlijst.
Het tweede rapport betreft de resultaten van het door de bezwaarverzekeringsarts
L.J. Zwemer uitgevoerde onderzoek. De door deze getrokken conclusie luidt dat er geen verzekeringsgeneeskundige argumenten zijn om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts.
De Raad neemt tevens in overweging dat appellante in beroep een rapport heeft overgelegd van een in haar opdracht op 15 januari 2004 verrichte contra-expertise door de zenuwarts Busard voornoemd. Diens bevindingen houden onder andere in dat appellante vanwege de bij haar aanwezige ziekte, zijnde fibromyalgie, op 12 mei 2003 niet in staat was om duurzaam regulier te werken, zeker niet fulltime. Verder neemt de Raad in overweging dat zijn bevindingen de rechtbank aanleiding hebben gegeven om de onafhankelijke psychiater prof. dr. R.J. van den Bosch te benoemen als deskundige voor het instellen van een onderzoek naar appellantes belastbaarheid. Deze deskundige is in zijn rapport van 10 april 2004 tot het oordeel gekomen dat appellante op 12 mei 2003 klachten had van vermoeidheid, spierpijn en spierstijfheid, maar dat deze klachten, voor zover door hem te beoordelen, niet waren gebaseerd op een lichamelijke aandoening, doch naar hun aard subjectief waren. Voorts heeft hij geen psychiatrische afwijkingen bij appellante vastgesteld. Op basis van zijn onderzoek is hij van opvatting dat de primaire verzekeringsarts voldoende rekening heeft gehouden met de beperkingen van de belastbaarheid van appellante. Tevens concludeert deze deskundige dat er vanuit psychiatrisch gezichtspunt geen bezwaar tegen bestaat dat appellante gemiddeld 8 uur per dag en 40 uur per week arbeid verricht.
Volgens zijn vaste rechtspraak volgt de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige, tenzij er sprake is van een bijzondere omstandigheid die ertoe noopt een uitzondering op die hoofdregel aan te nemen. Van een dergelijke omstandigheid is de Raad in dit geval niet gebleken.
Gelet op het voorgaande is er voor de Raad geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de door de primaire verzekeringsarts bij appellante vastgestelde belastbaarheid, zoals deze naderhand is onderschreven door de bezwaarverzekeringsarts en de door de rechtbank benoemde onafhankelijke deskundige.
De Raad stelt verder vast dat geen specifieke grieven zijn gericht tegen de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Nu de Raad ook, voorzover ambtshalve ter toetsing voorligt, niet is gebleken dat die arbeidsdeskundige grondslag als ontoereikend moet worden beoordeeld, betekent dit dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 september 2006.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) P.H. Broier.
JK/1196