ECLI:NL:CRVB:2006:AY9265

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-4701 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
  • G.J.H. Doornewaard
  • J. Riphagen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om haar een WAO-uitkering toe te kennen, omdat zij volgens het UWV minder dan 15% arbeidsongeschikt was na de wettelijke wachttijd van 52 weken.

De Raad heeft het standpunt van het UWV bevestigd op basis van twee medische rapporten: een van de primaire verzekeringsarts en een van de bezwaarverzekeringsarts. Beide artsen concludeerden dat appellante in staat was arbeid te verrichten en dat haar klachten niet terug te voeren waren op een ziekte of gebrek die haar belastbaarheid significant zou verminderen.

Appellante voerde aan dat haar medische beperkingen onjuist waren ingeschat en overhandigde een neuroloogverslag dat een pijnsyndroom bevestigde. De Raad vond dit echter onvoldoende om af te wijken van het oordeel van de verzekeringsartsen en de door de rechtbank benoemde deskundige.

De Raad concludeerde dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld en bevestigde de eerdere uitspraak die het beroep van appellante ongegrond verklaarde. Er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 29 september 2006.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

04/4701 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 15 juli 2004, 03/108 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 29 september 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.L.M. Hoogbergen, advocaat te Gorssel, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellante zijn nog nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2006. Namens appellante is mr. Hoogbergen verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. I. Smit.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
Bij besluit van 28 juni 2002 heeft het Uwv geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeids- ongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, aangezien appellante, na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, op 16 juli 2002 minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Daartoe is overwogen dat appellante met arbeid die zij met haar medische beperkingen en haar bekwaamheden nog kan verrichten meer dan 85% kan verdienen van hetgeen de aan haar gelijksoortige gezonde persoon zou verdienen. Bij het bestreden besluit van 17 december 2002 heeft het Uwv die beslissing gehandhaafd.
De rechtbank heeft het daartegen door appellante ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
Appellante handhaaft in hoger beroep haar opvatting dat het Uwv haar medische beperkingen onjuist heeft ingeschat, waarbij er onvoldoende aandacht is besteed aan haar klachten.
De Raad overweegt het volgende.
Het Uwv heeft zijn standpunt omtrent de beperkingen van appellantes belastbaarheid, als rechtstreeks en medisch objectief vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, gebaseerd op twee medische rapporten. Het eerste rapport bevat de resultaten van het door de primaire verzekeringsarts uitgevoerde onderzoek. Dat onderzoek heeft bestaan uit kennisneming van de voorhanden zijnde medische informatie (van de arts die appellante in het kader van de Ziektewet heeft onderzocht en van de behandelend Cesar-therapeute) en een eigen medisch onderzoek. Op basis daarvan zijn de door deze verzekeringsarts geconstateerde beperkingen van appellantes belastbaarheid vastgelegd in een functionele mogelijkhedenlijst.
Het tweede rapport betreft het door de bezwaarverzekeringsarts uitgevoerde onderzoek. Diens onderzoek heeft bestaan uit het bestuderen van het dossier en van de aanvullende informatie van de revalidatiearts (door wie appellante in augustus 2002 was onderzocht), het bijwonen van de hoorzitting naar aanleiding van haar bezwaarschrift en het ontvangen van appellante op zijn spreekuur. Zijn conclusie is dat de functionele mogelijkheden van appellante niet zijn overschat door de primaire verzekeringsarts.
De Raad neemt voorts in overweging dat appellante in beroep een verklaring van de psychiater H.H. Tamsma te Sneek (bij wie zij sinds november 2002 onder behandeling was) en een verklaring van de revalidatie-arts H. Laman te Sneek (door wie zij in november 2002 was onderzocht) heeft overgelegd, in welke verklaringen sprake is van een posttraumatische stress-stoornis. Verder neemt de Raad in overweging dat dit aanleiding is geweest voor de rechtbank om de psychiater
R. Graveland te Zwolle te benoemen als deskundige voor het instellen van een onderzoek naar appellantes belastbaarheid.
In zijn rapport van het op 30 oktober 2003 door hem uitgevoerde onderzoek is deze deskundige tot de conclusie gekomen dat de klachten van appellante niet zijn terug te voeren op als ziekte of gebrek aan te merken afwijkingen in haar gezondheidstoestand op 16 juli 2002. Voorts is hij op basis van zijn onderzoek van mening dat appellante in staat moet worden geacht arbeid te verrichten zoals door de primaire verzekeringsarts is ingeschat.
Volgens zijn vaste rechtspraak volgt de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige, tenzij er sprake is van een bijzondere omstandigheid die ertoe noopt een uitzondering op die hoofdregel aan te nemen. In hetgeen in beroep en hoger beroep van de zijde van appellante is aangevoerd ziet de Raad evenwel geen bijzondere omstandigheid in vorenbedoelde zin. Met name voegt het namens appellante in hoger beroep ingediende verslag van 12 april 2005 van de neuroloog prof. dr. B.G.M. van Engelen, verbonden aan het UMC St Radboud te Nijmegen, geen informatie toe die een dergelijke uitzondering zou kunnen rechtvaardigen. Daartoe neemt de Raad in aanmerking dat in dat verslag de bevindingen van beide verzekeringsartsen en de deskundige Graveland in feite zijn bevestigd door het stellen van een waarschijnlijkheidsdiagnose die inhoudt dat appellante lijdt aan een pijnsyndroom met betrekking tot het spierweefsel van nek en schouders, als gevolg waarvan zij last heeft van spierspanningshoofdpijn, en dat zij voor het overige geen neurologische afwijkingen heeft.
Gelet op het voorgaande heeft de Raad in de ter beschikking staande medische gegevens geen grond gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de door de primaire verzekeringsarts bij appellante vastgestelde beperkingen van haar belastbaarheid, zoals deze naderhand zijn onderschreven door de bezwaarverzekeringsarts en de door de rechtbank benoemde deskundige.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 september 2006.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) P.H. Broier.