ECLI:NL:CRVB:2006:AY9651

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 oktober 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-2366 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
8 uitgaand · 10 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing kostenvergoeding in hoger beroep tegen UWV-besluit over WAO-uitkering

Appellante stelde hoger beroep in tegen het besluit van het UWV tot afwijzing van haar aanvraag tot kostenvergoeding in verband met een eerdere beroepsprocedure over haar WAO-uitkering. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard. Tijdens het geding bracht appellante rapportages in van een psycholoog, waarvan de kosten zij vergoed wilde krijgen.

De Raad overwoog dat de rechtbank exclusief bevoegd is om proceskosten toe te kennen op grond van artikel 8:75 Awb Pro, en dat reeds onherroepelijk was beslist over de proceskosten in de eerdere procedure. De regeling is limitatief en forfaitair, waardoor aanvullende kostenveroordelingen niet mogelijk zijn.

De Raad concludeerde dat appellante geen recht heeft op vergoeding van de gevorderde kosten en bevestigde het bestreden besluit van het UWV. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 6 oktober 2006.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV tot afwijzing van de kostenvergoeding wordt bevestigd.

Uitspraak

04/2366 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 april 2004, 03/3366
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv),
Datum uitspraak: 6 oktober 2006
I. PROCESVERLOOP
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 14 juli 2006. Namens appellante is verschenen mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.
II. OVERWEGINGEN
Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 3 november 2003 (het bestreden besluit) waarbij hij heeft gehandhaafd zijn besluit van 1 september 2003, strekkende tot afwijzing van de namens appellante ingediende aanvraag tot kostenvergoeding.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
De Raad gaat bij zijn beoordeling uit van de volgende, door partijen niet bestreden, feiten.
Bij besluit van 5 november 2001 heeft het Uwv de aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van
25 november 2001 verlaagd. Het hiertegen ingediende bezwaar is bij besluit van
11 november 2002 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft appellante beroep doen instellen bij de rechtbank.
Hangende dat geding zijn van de zijde van appellante een drietal rapportages van de hand van de aan het Instituut Psychosofia verbonden mevrouw Verhage, gedateerd op 15 mei 2003, 27 mei 2003 en 25 juni 2003 in het geding gebracht.
Op 27 juni 2003 heeft appellante het door haar tegen het besluit van 11 november 2002 ingestelde beroep ingetrokken, omdat haar was gebleken dat het Uwv dat besluit niet handhaafde. Zij heeft de rechtbank verzocht het Uwv in het kader van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de proceskosten te veroordelen. Aan dat verzoek heeft de rechtbank voldaan met haar uitspraak van 8 juli 2003, waarbij de proceskosten wegens de aan appellante verleende rechtsbijstand zijn vastgesteld op € 644,-. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat haar van overige voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten niet was gebleken.
Bij brief van 4 augustus 2003 heeft appellante aan het Uwv gevraagd de aan de hiervoor bedoelde rapportages verbonden kosten te vergoeden. Ter zitting van de Raad is namens appellante uitdrukkelijk verklaard dat dit betreft uitsluitend de in verband met de behandeling van het beroep tegen het besluit van 11 november 2002 gemaakte kosten.
De Raad overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, (oud) van de Awb is de rechtbank bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank heeft moeten maken. Op grond van artikel 8:75a van de Awb kan bij de intrekking van het beroep de rechtbank hierover afzonderlijk uitspraak doen. De toepassing van deze artikelen heeft geleid tot de uitspraak van de rechtbank van 8 juli 2003. Tegen deze uitspraak hebben partijen geen rechtsmiddel aangewend, zodat de rechtbank hiermee onherroepelijk heeft beslist over alle in die beroepsprocedure gevallen kosten.
Volgens de vaste rechtspraak van de Raad kan, gelet op het limitatieve en forfaitaire karakter van de -exclusieve- regeling van de proceskostenveroordeling zoals neergelegd in artikel 8:75 Awb Pro en het Besluit proceskosten bestuursrecht, niet op grond van artikel 8:73, eerste lid, Awb een -aanvullende- veroordeling in de proceskosten worden uitgesproken. Uit de plaats en de strekking van artikel 8:75 moet Pro worden afgeleid dat hiermee een exclusieve mogelijkheid aan de bestuursrechter wordt geboden om een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Voor een vergoeding van deze kosten via de weg van een verzoek om een zuiver schadebesluit is dan ook, anders dan appellante meent, evenmin plaats.
De Raad ziet geen aanleiding tot een kostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.C. Stam en A.W.M. Bijloos als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2006.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.P. Mulder.
BKH 130906