ECLI:NL:CRVB:2006:AY9652

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 oktober 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-2876 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging proceskostenveroordeling bij kosteloze rechtsbijstand in WAO-procedure

Betrokkene ontving een WAO-uitkering die na herbeoordeling werd ingetrokken. Tegen deze intrekking stelde betrokkene beroep in bij de rechtbank, die het beroep gegrond verklaarde en appellant veroordeelde tot betaling van proceskosten en griffierecht.

Appellant ging in hoger beroep tegen de proceskostenveroordeling, stellende dat betrokkene kosteloos werd bijgestaan door een belangenbehartiger van het WAO-platform, onderdeel van een stichting die kosteloze rechtsbijstand verleent aan mensen met een handicap.

De Raad concludeerde op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting dat betrokkene inderdaad kosteloos rechtsbijstand had ontvangen, waardoor de rechtbank ten onrechte de proceskostenveroordeling had opgelegd.

De Centrale Raad vernietigde daarom het deel van het vonnis dat de proceskostenveroordeling betrof en veroordeelde appellant tot vergoeding van reiskosten van betrokkene, begroot op €55,54.

Uitkomst: De proceskostenveroordeling is vernietigd omdat betrokkene kosteloos rechtsbijstand ontving; appellant moet reiskosten van €55,54 vergoeden.

Uitspraak

04/2876 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 16 april 2004, 03/498
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),
en
appellant
Datum uitspraak: 6 oktober 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2006, waar namens appellant, daartoe opgeroepen bij gemachtigde, is verschenen A.J. van Loon. Betrokkene is, daartoe eveneens opgeroepen, in persoon verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten.
Aan betrokkene, geboren op 2 januari 1970, is bij besluit van 12 maart 2002 met ingang van 11 maart 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-
verzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een herbeoordeling is deze uitkering bij besluit van 4 februari 2003 met ingang van 28 maart 2003 ingetrokken, omdat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Het door betrokkene tegen die beslissing gemaakte bezwaar is bij besluit van 28 juli 2003 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het namens betrokkene tegen het besluit van 28 juli 2003 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen met inachtneming van hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen. Daarnaast heeft de rechtbank appellant veroordeeld tot het betalen van de proceskosten van betrokkene alsmede tot het vergoeden van het door betrokkene betaalde griffierecht.
Appellant is in hoger beroep gekomen, uitsluitend voor zover hij is veroordeeld tot het betalen van de proceskosten van betrokkene. Daarbij is naar voren gebracht dat betrokkene zich in de procedure bij de rechtbank heeft laten bijstaan door een medewerker van het WAO-platform te Goes. Dit platform, onderdeel van de Stichting Het Klaverblad Zeeland, treedt op als belangenbehartiger van mensen met een handicap en zet zich in voor mensen die door een ziekte of handicap niet (meer) kunnen werken of die gangbaar, bij hen passend werk moeten zoeken. Uit hoofde van die doelstelling geeft dit platform onder andere advies en biedt het begeleiding in bezwaar- en beroepsprocedures. Deze dienstverlening is naar de mening van appellant kosteloos en derhalve heeft de rechtbank ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit standpunt van appellant kan de Raad niet voor onjuist houden. Ook de Raad is op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting tot de conclusie gekomen dat betrokkene in de procedure bij de rechtbank kosteloos rechtsbijstand is verleend. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank appellant dan ook ten onrechte veroordeeld tot het betalen van de kosten van rechtsbijstand van betrokkene en dit betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt.
De Raad acht termen aanwezig om appellant met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de reiskosten van betrokkene.
Deze kosten worden begroot op € 10,72 aan reiskosten in beroep en op € 44,82 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal derhalve € 55,54.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 55,54, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.C. Stam en A.W.M. Bijloos als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2006.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.P. Mulder.
BKH 130906