ECLI:NL:CRVB:2006:AY9731
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-verzekering AOW tijdens verblijf en werk in Suriname
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij gedurende de periode van 1 januari 1957 tot en met 23 juni 1974, toen hij in Suriname woonde en werkte, onterecht niet als verzekerd werd beschouwd op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Hij stelde dat hij in dienst was van een Nederlandse overheidsdienst en AOW-premies had betaald.
De Raad overwoog dat appellant weliswaar in dienst was bij het Ministerie van Opbouw, een publiekrechtelijke rechtspersoon van het toenmalige rijksdeel Suriname, maar dat deze niet als een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon in de zin van artikel 3, vierde lid van de AOW kon worden aangemerkt. Bovendien was appellant werkzaam buiten het Rijk, namelijk in Suriname, en kon hij hieraan geen verzekeringsgrond ontlenen.
De Raad stelde vast dat appellant zijn stelling dat hij AOW-premies had betaald niet aannemelijk had gemaakt. De eerdere argumenten uit de rechtbankprocedure werden herhaald, maar leidden niet tot een ander oordeel. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank Rotterdam en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de niet-verzekering op grond van de AOW wordt bevestigd.