ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0468
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks knieklachten appellant
Appellant, voormalig productiemedewerker, ontving sinds 1997 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling door het UWV werd de uitkering per 12 februari 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Appellant maakte bezwaar tegen deze herziening, stellende dat hij vanwege knieklachten niet in staat was de geduide functies te vervullen.
De rechtbank Amsterdam wees het bezwaar af, en ook in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd dit standpunt bevestigd. De Raad hechtte waarde aan de medische rapporten van de orthopedisch chirurg en de beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts, die concludeerden dat appellant lichte kniesparende arbeid kon verrichten. Tevens werd de arbeidskundige beoordeling van de functies, inclusief het gebruik van een voetpedaal, opnieuw onderzocht en passend bevonden.
Appellants argumenten in hoger beroep brachten geen nieuwe inzichten die het eerdere oordeel konden wijzigen. De Raad stelde vast dat de medische onderbouwing van appellant onvoldoende was om het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts te weerleggen. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van de WAO-uitkering bevestigd.