ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0480
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen schorsing en terugvordering ziekengeld wegens niet voldoen legitimatieplicht
Betrokkene ontving vanaf mei 2002 een WW-uitkering en meldde zich in november 2002 ziek. Het UWV schortte de Ziektewetuitkering per 18 december 2002 op wegens het niet overleggen van een geldig legitimatiebewijs. Vervolgens werd de uitkering met terugwerkende kracht ingetrokken en de reeds betaalde bedragen teruggevorderd. Betrokkene maakte bezwaar en voerde overmacht aan omdat hij pas in januari 2003 een geldig paspoort had.
De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit. Het UWV erkende dat de intrekking niet eerder dan 18 december 2002 kon ingaan. Later stelde het UWV een nieuw besluit op bezwaar vast waarin de intrekking per 18 december 2002 werd gehandhaafd, maar de terugvordering over de periode 14 november tot 15 december 2002 werd opgeheven.
De Raad oordeelde dat het UWV bij het nieuwe besluit de beleidswijziging van 1 september 2003, die terugwerkende hervatting van de uitkering mogelijk maakt als aan verplichtingen wordt voldaan vóór afloop van de bezwaarperiode, niet in redelijkheid kon negeren. Daarom werd het besluit van 17 augustus 2006 vernietigd en het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het UWV werd veroordeeld tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het besluit tot intrekking van de ziekengelduitkering per 18 december 2002 wordt vernietigd.