ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0484
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering na fraudeonderzoek en medische beoordeling
Appellant, voormalig sloper, kreeg een WAO-uitkering toegekend per 22 juni 1987 wegens arbeidsongeschiktheid. Na een fraudeonderzoek werd zijn uitkering per 1 februari 1996 geschorst en later ingetrokken met terugwerkende kracht tot 1 januari 1989, omdat uit medische rapporten bleek dat appellant arbeidsgeschikt was voor zijn functie sinds die datum.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, en ook in hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelt dat het UWV de brief van 22 oktober 1996, waarin appellant werd meegedeeld dat hij arbeidsgeschikt werd geacht, terecht als aanzegging voor intrekking van de uitkering kon gebruiken, ondanks dat deze brief in het kader van het fraudeonderzoek was opgesteld.
Appellant had de mogelijkheid om een WW-uitkering aan te vragen, ook al werd de beslissing over de beëindiging van de WAO-uitkering pas eind november 2001 genomen. De medische beoordelingen van verzekeringsartsen en een orthopedisch chirurg gaven geen aanleiding tot twijfel over de arbeidsgeschiktheid van appellant. Er zijn geen nieuwe medische gegevens ingebracht die het eerdere oordeel zouden kunnen wijzigen.
De Centrale Raad van Beroep concludeert dat het UWV bevoegd was om de uitkering in te trekken en bevestigt het bestreden besluit. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 23 december 1996 wordt bevestigd.