ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0490
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering trapliftinstallatie en verhuiskostenvergoeding bij verhuizing naar niet-adequate woning
Appellante, geboren in 1937, woonde jarenlang op een adres in Eindhoven en verhuisde in 2002 naar een wisselwoning vanwege sloop. In 2003 verhuisde zij naar een ongelijkvloerse woning die niet adequaat was voor haar beperkingen. Zij verzocht het College om woningaanpassingen en een verhuiskostenvergoeding op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg).
Het College wees deze verzoeken af, stellende dat verhuizing naar een gelijkvloerse woning met een financiële tegemoetkoming de goedkoopst adequate voorziening is, conform het verhuisprimaat uit de Wvg. Appellante voerde aan dat de wachttijd voor een aangepaste woning lang is en dat zij om psychische redenen niet buiten haar oude buurt kan wonen.
De Raad constateerde dat appellante niet actief heeft gereageerd op aangeboden gelijkvloerse woningen en niet is verschenen op de zitting om haar psychische bezwaren toe te lichten. Het College handhaafde het standpunt dat de traplift niet geïnstalleerd hoeft te worden en dat een verhuizing de goedkoopst adequate voorziening is. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad bevestigt de weigering van het College om een traplift te installeren en een verhuiskostenvergoeding toe te kennen.