ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0621
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herhaalde aanvraag vervolgingsslachtoffer op grond van onvoldoende direct verband
Appellant, geboren in 1942 in voormalig Nederlands-Indië, diende in januari 2003 een aanvraag in voor een uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Deze aanvraag werd afgewezen omdat appellant geen vervolging in de zin van de Wet had ondergaan en zijn psychische klachten niet direct samenhingen met het overlijden van zijn vader tijdens de vervolging.
Na bezwaar en een eerdere uitspraak van de Raad in 2004, waarin het beroep van appellant ongegrond werd verklaard, diende appellant een herhaalde aanvraag in. Deze werd eveneens afgewezen omdat er geen nieuwe relevante feiten of gegevens waren die het eerdere standpunt konden weerleggen.
De Raad overweegt dat verweerster op grond van artikel 4:6 Awb Pro gerechtigd is zonder nader onderzoek de aanvraag af te wijzen bij herhaalde aanvragen, tenzij bijzondere omstandigheden dit vereisen. Aangezien dergelijke omstandigheden niet zijn gebleken, wordt het beroep ongegrond verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van zijn aanvraag blijft gehandhaafd.