ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0622

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 oktober 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1428 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 21 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing tegemoetkoming automatische transmissie voor vervolgingsslachtoffer

Appellante, een vervolgingsslachtoffer geboren in 1942, vroeg een tegemoetkoming voor de aanschaf van een auto met automatische transmissie vanwege schouderklachten die het schakelen bemoeilijken. Verweerster verleende een tegemoetkoming voor de auto, maar wees de voorziening voor automatische transmissie af omdat de klachten niet in verband staan met de vervolging.

De Raad stelde vast dat eerdere toekenningen gebaseerd waren op psychische, maag- en gebitsklachten die verband houden met de vervolging, maar niet op gewrichtsklachten. Medische adviezen van geneeskundig adviseurs en een orthomanueel therapeut concludeerden dat de schouderklachten voortkomen uit een bursitis die niet causale verband houdt met de vervolging.

Appellante voerde aan dat de aanvraag op grond van artikel 20 van Pro de Wet beoordeeld moest worden wegens verergering van psychische klachten, maar de Raad verwierp dit omdat het een herhaling van een eerder toegekende voorziening betrof. De Raad oordeelde dat het bestreden besluit deugdelijk was voorbereid en gemotiveerd en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de tegemoetkoming voor een automatische transmissie wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

06/1428 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 5 oktober 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 19 januari 2006, kenmerk JZ/O70/2005, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 19 juli 2006 heeft mr. A.C.M. Peperkamp, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, als gemachtigde van appellante de gronden van het beroep nader aangevuld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2006. Daar is van de zijde van appellante, zoals aangekondigd, niemand verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Blijkens de gedingstukken is appellante, geboren in 1942, vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. Verweerster heeft aanvaard dat de psychische klachten, maag- en gebitsklachten van appellante in het door de Wet vereiste verband staan met de ondergane vervolging. Aan appellante zijn verschillende voorzieningen toegekend, onder meer bij besluit van 24 maart 1995 respectievelijk 29 september 1999 een tegemoetkoming in het kader van artikel 21 van Pro de Wet ter zake van de aanschafkosten van een auto.
In juli 2005 heeft appellante, ter vervanging van de oude auto, bij verweerster een vervolgaanvraag ingediend om toekenning van een voorziening voor de aanschaf van een auto met een automatische transmissie. In dat verband heeft appellante aangegeven dat zij al jaren last heeft van schouderklachten die het schakelen tijdens het autorijden zeer bemoeilijken.
Verweerster heeft bij besluit van 7 oktober 2005 aan appellante op grond van het bepaalde in artikel 21 van Pro de Wet een tegemoetkoming verleend voor de kosten van de aanschaf van een auto maar de tevens gevraagde voorziening voor een automatische transmissie afgewezen. Na gemaakt bezwaar heeft verweerster de afwijzing gehandhaafd bij het thans bestreden besluit.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen van de zijde van appellante in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Allereerst stelt de Raad voorop dat de tussen partijen gegeven uitspraak van 19 september 2002, nr. 01/4123 WUV, een kennelijke misslag bevat daar waar in de uitspraak de “gewrichtsklachten” zijn benoemd als zijnde verband houdende met de vervolging. Uit de onderliggende gegevens van medische aard komt evident naar voren dat verweerster in het verleden alleen een causaliteit met de vervolging heeft aanvaard ten aanzien van de bij appellante aanwezige psychische klachten, maagklachten en gebitsklachten.
Blijkens de gedingstukken heeft verweerster in het kader van de haar in artikel 21 van Pro de Wet gegeven bevoegdheid het beleidsstandpunt ingenomen dat alleen dan een tegemoet-koming voor een hulpvoorziening (automatische transmissie) kan worden toegekend indien de hoofdvoorziening (auto) medisch sociaal wenselijk is en de hulpvoorziening om causale redenen medisch noodzakelijk wordt geacht.
De Raad heeft reeds meermalen uitgesproken een dergelijke benadering van verweerster niet onredelijk of onjuist te achten.
Verweerster heeft de door appellante gevraagde voorziening van een automatische transmissie afgewezen, op de grond dat de aan de voorziening ten grondslag gelegde schouderklachten niet voortvloeien uit de door appellante ondergane vervolging. Dit standpunt is in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, welke adviezen met name berusten op informatie van de behandelend orthomanueel therapeut van appellante E.J. Mentink. Uit deze adviezen komt naar voren dat de schouderklachten van appellante berusten op een bursitis welke aandoening, gelet op de aard van de aandoening en het moment van ontstaan van die klachten, niet in verband kan worden gebracht met de ondergane vervolging.
De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd.
Op grond van de voorhanden medische gegevens is de Raad niet gebleken van enig aanknopingspunt om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster, in het spoor van haar geneeskundig adviseurs, ingenomen standpunt. Appellante heeft, onder verwijzing naar een schrijven van de reumatoloog R.O. Hattink d.d. 9 juli 1986, doen aanvoeren dat zij reeds lange tijd last heeft van haar schouder, maar naar uit het in bezwaar uitgebrachte medisch advies van de arts G.L.G. Kho naar voren komt vinden die eerdere klachten hun oorzaak in een andere dan de huidige.
Namens appellant is in beroep nog aangevoerd dat verweerster de door appellante gedane aanvraag van juli 2005 had dienen te beoordelen op grond van artikel 20 van Pro de Wet vanwege verergering van psychische klachten, maar de Raad kan dit niet onderschrijven. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat genoemde aanvraag een herhaling betreft van een reeds eerder op grond van artikel 21 van Pro de Wet toegekende voorziening waaraan - blijkens het aanvraagformulier alsook in bezwaar - alleen de schouderklachten ten grondslag zijn gelegd.
Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2006.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) J.P. Schieveen.
HD
6.09