ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0623

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 oktober 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-139 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffersArt. 61 lid 3 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffersArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek erkenning burgeroorlogsslachtoffer wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellant, geboren in 1927 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht in oktober 1999 om erkenning als burgeroorlogsslachtoffer en toekenning van een periodieke uitkering op grond van gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan gebeurtenissen tijdens de Japanse bezetting en de Bersiap-periode.

De oorspronkelijke aanvraag werd afgewezen omdat niet was gebleken dat appellant direct was getroffen door oorlogsgeweld zoals bedoeld in de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Appellant maakte geen bezwaar tegen dit besluit, waardoor het rechtens verbindend werd.

In februari 2005 diende appellant een herzieningsverzoek in, dat eveneens werd afgewezen omdat hij geen relevante nieuwe feiten of gegevens had aangevoerd die tot een andere beslissing zouden kunnen leiden. De Raad toetst dit besluit terughoudend en concludeert dat appellant in wezen zijn eerdere stellingen herhaalde zonder nieuwe bewijsstukken.

De Raad verklaart het beroep ongegrond en wijst een vergoeding van proceskosten af. Het besluit van verweerster kan de terughoudende toetsing doorstaan en blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van relevante nieuwe feiten voor herziening.

Uitspraak

06/139 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] , wonende te [woonplaats] (Canada) (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 5 oktober 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening
30 november 2005, kenmerk JZ/M60/2005, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2006. Appellant is niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Blijkens de gedingstukken heeft appellant, geboren in 1927 in het voormalige Nederlands-Indië, in oktober 1999 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering. Appellant heeft die aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan hetgeen hem is overkomen tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië en de daarop volgende, zogenoemde Bersiap-periode, te weten:
tijdens de Japanse bezetting:
-het meemaken van bombardementen;
tijdens de Bersiap-periode:
-het getuige zijn van mishandelingen en moordpartijen;
-internering in de gevangenis te Madjalengka;
-internering in de gevangenis in Cheribon.
Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 14 december 2000, op de grond dat niet is gebleken dat appellant getroffen is geweest door oorlogsgeweld in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet. Hiertoe is overwogen dat een directe betrokkenheid bij bombardementen niet is komen vast te staan en dat van de overige gestelde gebeurtenissen, buiten de eigen verklaring van appellant geen of onvoldoende bevestiging is verkregen.
Tegen dat besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt, zodat dit tussen partijen rechtens verbindend is geworden.
In februari 2005 heeft appellant zich wederom tot verweerster gewend met het verzoek te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer en om toekenning van, onder meer, een periodieke uitkering. Dat verzoek heeft verweerster afgewezen bij besluit van 8 juli 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit op gronden ontleend aan artikel 61, derde lid, van de Wet. Hiertoe heeft verweerster overwogen dat appellant bij het herzieningsverzoek noch tijdens de bezwaarprocedure relevante nieuwe feiten of gegevens heeft vermeld, die als zij destijds bekend zouden zijn geweest, tot een andere beslissing zouden hebben geleid.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door appellant in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
De hiervoor genoemde aanvraag van februari 2005 draagt, naar verweerster terecht heeft vastgesteld, het karakter van een verzoek om herziening van het door verweerster eerder genomen, hiervoor genoemde besluit aangaande de aanvraag van oktober 1999.
Ingevolge artikel 61, derde lid, van de Wet is verweerster bevoegd, op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien.
Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat verweerster een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dit brengt met zich dat de Raad het besluit slechts terughoudend kan toetsen.
De Raad moet, evenals verweerster, vaststellen dat appellant bij het onderhavige herzieningsverzoek en in bezwaar tegen het besluit op dat verzoek in wezen heeft herhaald hetgeen hij reeds ter ondersteuning van zijn eerdere aanvraag had aangevoerd. Appellant heeft zijn herzieningsverzoek ook niet vergezeld doen gaan van - relevante - gegevens die aan verweerster bij het nemen van haar besluit over de eerdere aanvraag niet bekend waren, dan wel dat besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden om, onder herziening van dat besluit, alsnog te aanvaarden dat appellant bij oorlogsgeweld in de zin van de Wet betrokken is geweest.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden besluit de hier aan de orde zijnde terughoudende toetsing van de Raad kan doorstaan en het beroep van appellant ongegrond dient te worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2006.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) J.P. Schieveen.
HD
6.09