ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0628
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- K. Zeilemaker
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Beoordeling zorgvuldigheid herplaatsingsonderzoek en ontslag wegens opheffing functie bij Universiteit Utrecht
Appellante was manager van het Centrum voor Bio-ethiek en Gezondheidsrecht (CBG) dat per 1 juli 2003 werd opgeheven en samengevoegd in het nieuw opgerichte Ethiek Instituut (EI). Haar functie werd opgeheven vanwege een andere managementstructuur binnen het EI. Vervolgens startte een herplaatsingsonderzoek dat liep tot eind augustus 2004.
De rechtbank verklaarde eerdere bezwaren tegen het ontslagbesluit ongegrond en oordeelde dat geen sprake was van een reorganisatie in de zin van de CAO NU, waardoor een herplaatsingstermijn van twee maanden gold. Appellante werd per 1 december 2004 eervol ontslagen wegens opheffing van haar functie, nadat het herplaatsingsonderzoek geen passende functie voor haar had opgeleverd.
In hoger beroep stelde appellante dat haar een non-ontslaggarantie was gegeven en dat het ontslag in strijd was met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. De Raad oordeelde dat de genoemde documenten slechts algemene intenties bevatten en geen garantie tot non-ontslag. Bovendien was het herplaatsingsonderzoek zorgvuldig, waarbij binnen en buiten de universiteit passende functies werden gezocht, maar geen geschikte functie werd gevonden.
Ook de gesprekken over een te creëren functie binnen het EI leidden niet tot resultaat, mede vanwege het niet-erkende buitenlandse diploma van appellante. De Raad vond geen verwijt aan het college en bevestigde het ontslagbesluit en de aangevallen uitspraak. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het ontslagbesluit wegens opheffing van de functie wordt bevestigd omdat het herplaatsingsonderzoek zorgvuldig is uitgevoerd.