ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0629
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- K. Zeilemaker
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag wegens ernstig verstoorde arbeidsrelatie ondanks aandeel werknemer
Appellante was sinds 1985 werkzaam bij het Dr. Nassau College en raakte vanaf 2001 gedeeltelijk arbeidsongeschikt. Na een detacheringsperiode en verschillende gesprekken over haar terugkeer ontstond een ernstig verstoorde arbeidsrelatie tussen partijen. Het bestuur sprak een ontslag uit per 1 oktober 2004 wegens deze verstoorde relatie en kende een schadevergoeding toe vanwege onzorgvuldigheid rond een bedrijfsartsadvies.
De rechtbank oordeelde dat het bestuur overwegend verantwoordelijk was voor de verstoring en kende een extra vergoeding toe. In hoger beroep betwistte appellante dit niet, maar stelde dat het bestuur volledig aansprakelijk was voor de verstoring en dat de toegekende vergoeding onvoldoende was.
De Raad constateerde onzorgvuldigheid van het bestuur in het medisch traject, maar verwierp het vermoeden van een vooropgezet plan om appellante te ontslaan. Ook werd appellantes weigering tot medewerking aan het begeleidingstraject als medeoorzaak van de verstoring gezien. Uiteindelijk werd geoordeeld dat het aandeel van appellante minstens gelijk was aan dat van het bestuur en dat de toegekende vergoeding toereikend was. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: Het ontslag wegens ernstig verstoorde arbeidsrelatie wordt bevestigd met een passende schadevergoeding.