ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0712
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Herziening dagloonvaststelling bij gedeeltelijke WAO-uitkering en WSW-werkzaamheden
Betrokkene ontving een gedeeltelijke WAO-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% en was daarnaast werkzaam in het kader van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW). Door toegenomen arbeidsongeschiktheid moest betrokkene zijn WSW-werk staken, waarna de arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 80 tot 100%. Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, besloot het dagloon niet te herzien met ingang van 20 mei 2002.
De rechtbank oordeelde dat appellant het dagloon onjuist had vastgesteld en dat artikel 16 van Pro de Dagloonregelen WAO van toepassing was. De Centrale Raad van Beroep stelt echter dat de Nadere regelen herziene dagloonberekening specifiek van toepassing zijn op WSW-ers en dat artikel 16 niet Pro van toepassing is in situaties van anticumulatie zoals deze.
De Raad benadrukt dat herziening van het dagloon bij WSW-ers alleen plaatsvindt indien dit leidt tot een hoger dagloon en dat de berekening moet geschieden op basis van het WSW-inkomen volgens de Dagloonregelen WAO. Toepassing van artikel 16 zou Pro kunnen leiden tot een hogere uitkering dan voorheen, wat niet de bedoeling is van de wetgever. Daarom wordt het hoger beroep van appellant toegewezen en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd; het dagloon wordt niet herzien volgens artikel 16 Dagloonregelen WAO.