ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0712

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 oktober 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-7123 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 Dagloonregelen WAOArt. 40 WAOArt. 44 WAOArt. 2 Nadere regelen herziene dagloonberekening arbeidsongeschikte WSW-ersArt. 3 Nadere regelen herziene dagloonberekening arbeidsongeschikte WSW-ers
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening dagloonvaststelling bij gedeeltelijke WAO-uitkering en WSW-werkzaamheden

Betrokkene ontving een gedeeltelijke WAO-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% en was daarnaast werkzaam in het kader van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW). Door toegenomen arbeidsongeschiktheid moest betrokkene zijn WSW-werk staken, waarna de arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 80 tot 100%. Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, besloot het dagloon niet te herzien met ingang van 20 mei 2002.

De rechtbank oordeelde dat appellant het dagloon onjuist had vastgesteld en dat artikel 16 van Pro de Dagloonregelen WAO van toepassing was. De Centrale Raad van Beroep stelt echter dat de Nadere regelen herziene dagloonberekening specifiek van toepassing zijn op WSW-ers en dat artikel 16 niet Pro van toepassing is in situaties van anticumulatie zoals deze.

De Raad benadrukt dat herziening van het dagloon bij WSW-ers alleen plaatsvindt indien dit leidt tot een hoger dagloon en dat de berekening moet geschieden op basis van het WSW-inkomen volgens de Dagloonregelen WAO. Toepassing van artikel 16 zou Pro kunnen leiden tot een hogere uitkering dan voorheen, wat niet de bedoeling is van de wetgever. Daarom wordt het hoger beroep van appellant toegewezen en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd; het dagloon wordt niet herzien volgens artikel 16 Dagloonregelen WAO.

Uitspraak

05/7123 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 november 2005, 03/2324 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
en
appellant,
Datum uitspraak: 19 oktober 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. A. Staal, werkzaam bij Stichting Schaderegelingskantoor voor Rechtsbijstandverzekering te Zoetermeer, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. P.A.A. Soer, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Voor betrokkene is ter zitting niemand verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Aan betrokkene is een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) toegekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Betrokkene was daarnaast werkzaam in het kader van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW). In verband met deze inkomsten werd de WAO-uitkering van betrokkene ingevolge artikel 44 van Pro de WAO uitbetaald naar een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse (de zogenaamde anticumulatie).
Betrokkene heeft zijn WSW-werk wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid moeten staken, waarna appellant de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 20 mei 2002 heeft vastgesteld op 80 tot 100%. Bij besluit van 12 december 2002 heeft appellant besloten het dagloon, waarnaar de WAO-uitkering van betrokkene wordt berekend, met ingang van 20 mei 2002 niet te herzien. Daartoe heeft appellant gesteld dat het dagloon wordt berekend op basis van de verdiensten van betrokkene in WSW-verband in het jaar voorafgaande aan de datum van toename van de arbeidsongeschiktheid.
Bij besluit van 14 juli 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant, voor zover voor de onderhavige zaak van belang, het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. Volgens appellant zijn de verhogingspercentages zoals vermeld in
artikel 16, tweede en derde lid, van de Dagloonregelen WAO niet van toepassing bij een herberekening van het WAO-dagloon ingevolge artikel 40 van Pro de WAO voor degenen die in WSW-verband werkzaam zijn.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant het dagloon op onjuiste wijze heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien dat aan artikel 16, tweede en derde lid, van de Dagloonregelen WAO in het onderhavige geval geen toepassing toekomt.
Ingevolge artikel 2 van Pro de Nadere regelen herziene dagloonberekening arbeidsongeschikte WSW-ers (Stcrt. 1982, 80, hierna: Nadere regelen), blijft artikel 40 van Pro de WAO buiten toepassing, indien toepassing is gegeven aan artikel 44 van Pro de WAO voor de toename van de arbeidsongeschiktheid.
Ingevolge artikel 3 van Pro de Nadere regelen vindt voor de WSW-er op wie artikel 44 van Pro de WAO van toepassing was hernieuwde vaststelling van het dagloon plaats, mits deze vaststelling leidt tot een hoger dagloon. Het nieuwe dagloon wordt, ingevolge het tweede lid, gevormd door overeenkomstig de dagloonregelen WAO uit het WSW-inkomen berekende bedrag.
De Raad stelt voorop dat de Nadere regelen specifiek betrekking hebben op de positie van de arbeidsongeschikte WSW-er en een eigen regime scheppen ten aanzien van de dagloonvaststelling van WSW-ers. Dit sluit aan bij de bijzondere positie van de WSW-er in geval van anticumulatie, zoals door de wetgever neergelegd in artikel 44, derde lid, van de WAO. Uit artikel 3 van Pro de Nadere regelen volgt dat dagloonvaststelling geschiedt overeenkomstig de dagloonregelen WAO. Van een onverkort van toepassing zijn van de dagloonregelen is derhalve in de desbetreffende gevallen geen sprake.
Gelet op het voorgaande dient in het geval van betrokkene het dagloon overeenkomstig de Dagloonregelen WAO te worden berekend uit de WSW-inkomsten. Daarbij heeft appellant naar het oordeel van de Raad zich terecht op het standpunt gesteld dat artikel 16 van Pro de Dagloonregelen WAO geen toepassing vindt. Blijkens de aanhef ziet artikel 16 van Pro de Dagloonregelen immers op hernieuwde vaststelling van een dagloon als bedoeld in artikel 40 van Pro de WAO. Een hernieuwde vaststelling van het dagloon als bedoeld in artikel 40 van Pro de WAO is in geval van anticumulatie vanwege WSW-verdiensten echter niet aan de orde, gelet op het bepaalde in artikel 2 van Pro de Nadere regelen.
Voorts acht de Raad van belang dat toepassing van artikel 16 van Pro de Dagloonregelen WAO op situaties als de onderhavige kan leiden tot een hogere uitkering dan hetgeen de betrokken WSW-er ontving voordat hij zijn WSW-werk wegens toegenomen arbeids-ongeschiktheid diende te staken. Nu artikel 16 van Pro de Dagloonregelen WAO in de Nadere regelen niet uitdrukkelijk van toepassing wordt verklaard en uit de toelichting evenmin blijkt dat de regelgever het hiervoor geschetste gevolg heeft beoogd, kan naar het oordeel van de Raad bezwaarlijk verondersteld worden dat de wetgever de toepasselijkheid van artikel 16 van Pro de Dagloonregelen WAO beoogd heeft.
Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep van appellant. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van der Wiel en F.J.L. Pennings als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2006.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.