ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0782
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende feitelijke grondslag
Betrokkene was na terugkeer in Nederland werkzaam geweest als oproepkracht en in diverse functies tot februari 2001, toen hij stopte wegens depressieve klachten. Het UWV weigerde een WAO-uitkering op grond van vermeende algehele arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering, gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts en een bezwaarverzekeringsarts die onder meer verwezen naar persoonlijkheidsproblematiek en een mogelijk posttraumatisch stresssyndroom.
De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en vernietigde het besluit voor de subsidiaire weigeringsgronden, maar handhaafde het besluit voor de primaire grondslag. In hoger beroep stelde betrokkene dat er geen objectieve gegevens waren over sociaal functioneren in zijn jeugd en dat zijn werkverleden geen negatieve indicaties gaf.
De Raad constateerde dat er onvoldoende verifieerbare gegevens zijn over het functioneren van betrokkene voor 1995 en dat het UWV onvoldoende feiten had om het besluit te baseren op het ontbreken van benutbare arbeidsmogelijkheden bij aanvang van de verzekering. Ook de mogelijke aanwezigheid van een stresssyndroom bood geen sluitende grond voor volledige arbeidsongeschiktheid. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit, veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en verklaarde het hoger beroep van het UWV niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot weigering van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende feitelijke onderbouwing.