ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0783
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening WAO-uitkering en mate arbeidsongeschiktheid per 7 april 2001
Appellante, werkzaam als verzorgende D, staakte haar werkzaamheden in december 1997 wegens klachten aan haar rechterpols en -hand, waarna zij een WAO-uitkering ontving. Het UWV herzag in 2001 de mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100% naar 15-25%, gebaseerd op medische en arbeidskundige beoordelingen. Na bezwaar stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid bij besluit van juli 2002 vast op 25-35%. De rechtbank Zutphen oordeelde echter dat appellante meer beperkingen had en verklaarde het beroep gegrond.
In hoger beroep stelde het UWV een nieuw besluit van juni 2004 in, waarin de arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 35-45%, rekening houdend met beperkingen vastgesteld door deskundige Vorsteveld. De Raad oordeelde dat het UWV voldoende rekening had gehouden met de beperkingen en dat appellante geschikt was voor vier resterende functies gedurende 22 uur per week, mits enkele redelijke aanpassingen werden getroffen.
De Raad verklaarde het hoger beroep tegen het eerdere besluit niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang en het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het gestorte recht.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het eerdere besluit wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond verklaard met vaststelling van arbeidsongeschiktheid op 35-45%.