ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1029
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- Rechtspraak.nl
Weigering WW- en bovenwettelijke uitkering wegens niet aanvaarden passende arbeid
Betrokkene had een WW-uitkering en een bovenwettelijke uitkering aangevraagd. Appellant 1 (UWV) weigerde deze uitkeringen op grond van vermeende verwijtbare werkloosheid wegens het niet aanvaarden van passende arbeid. Appellant 2 (Gedeputeerde Staten Gelderland) ondersteunde deze weigering.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde de weigeringen. Appellanten stelden hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat betrokkene niet verwijtbaar werkloos is geworden, omdat de verstoorde arbeidsrelatie en ontslag het gevolg waren van externe factoren zonder verwijt aan betrokkene. Ook was de aangeboden arbeid niet passend of werd deze ingetrokken op advies van de bedrijfsarts.
Verder oordeelde de Raad dat betrokkene eerst bezwaar had moeten maken tegen het besluit van 22 maart 2004 en dat het beroep tegen dat besluit niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. Desondanks behandelde de Raad het beroep inhoudelijk en bevestigde het oordeel van de rechtbank over het besluit van appellant 2. De Raad corrigeerde tevens de proceskostenveroordeling en veroordeelde appellanten gezamenlijk tot betaling van proceskosten aan betrokkene.
Uitkomst: De Raad vernietigt de weigering van WW- en bovenwettelijke uitkering wegens niet aanvaarden passende arbeid en veroordeelt appellanten tot betaling van proceskosten.