ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1090
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag uitkering vervolgingsslachtoffer wegens ontbreken vervolging en nationaliteitsvereisten
Appellante, geboren in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht in mei 2005 om een periodieke uitkering als vervolgingsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Zij stelde dat zij en haar familie tijdens de Japanse bezetting gevangen waren gezet in verschillende kampen. De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat niet was vastgesteld dat zij vervolging in de zin van de Wet had ondergaan en omdat zij niet voldeed aan de nationaliteits- en territorialiteitsvereisten.
De Raad stelde vast dat na zorgvuldig onderzoek geen objectieve gegevens waren gevonden die het verhaal van appellante bevestigen. Archieven, kampenlijsten en lijsten van het Rode Kruis bevatten geen aanwijzingen voor opsluiting van appellante of haar familie. Ook waren er geen verklaringen van lotgenoten beschikbaar. Hoewel de Raad erkent dat appellante angstige en zware tijden heeft doorgemaakt, biedt de Wet geen grond voor erkenning zonder de vereiste vervolging.
Verder overwoog de Raad dat de weigering om appellante met een vervolgingsslachtoffer gelijk te stellen op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet terecht was, omdat niet was voldaan aan de vereisten van artikel 2 en Pro 3, eerste lid. Een getuige die appellante wilde laten horen werd niet gehoord wegens gebrek aan verklaring. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit wordt in stand gehouden.