ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1091
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing gelijkstelling vervolgingsslachtoffer wegens ontbreken medisch verband
Appellante, geboren in 1940 in het voormalige Nederlands-Indië, diende in juni 2004 een aanvraag in om met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 als vervolgingsslachtoffer te worden gelijkgesteld. Zij vorderde een periodieke uitkering en bijzondere voorziening vanwege psychische en lichamelijke klachten die zij toeschreef aan het omkomen van haar vader door Japanse vervolging in 1945.
Verweerster wees de aanvraag af omdat er geen ziekten of gebreken waren vastgesteld die redelijkerwijs in verband konden worden gebracht met het overlijden van haar vader. Deze afwijzing werd gehandhaafd na bezwaar. Appellante stelde in beroep dat zij onterecht werd uitgesloten, mede omdat haar broer wel erkend was.
De Raad toetste het besluit en stelde vast dat verweerster op grond van medische adviezen, waaronder een rapport van arts J. Hansma, terecht concludeerde dat de lichamelijke klachten (diabetes mellitus type II) niet verband hielden met het omkomen van haar vader en dat de psychische klachten mild waren en geen stoornis vormden. De Raad oordeelde dat de medische beoordeling een individuele beoordeling is en dat verschillen tussen familieleden mogelijk zijn.
Gezien het ontbreken van onjuiste gegevens of interpretaties in de medische adviezen en het ontbreken van tegenstrijdige medische informatie, vond de Raad geen reden tot vernietiging van het besluit. Ook wees de Raad een vergoeding van proceskosten af. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de gelijkstelling als vervolgingsslachtoffer blijft in stand.