ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1092
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek gelijkstelling vervolgingsslachtoffer en uitkering
Appellante, geboren in 1936 in voormalig Nederlands-Indië, vroeg in juni 2004 bij de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerster) om gelijkstelling met een vervolgingsslachtoffer en toekenning van een periodieke uitkering en bijzondere voorziening op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Zij stelde dat zij psychische en lichamelijke klachten had door het overlijden van haar vader in juli 1945 als gevolg van vervolging door de Japanse bezetter.
Verweerster wees het verzoek af omdat er geen ziekten of gebreken waren vastgesteld die redelijkerwijs in verband konden worden gebracht met het omkomen van haar vader. Dit besluit werd gehandhaafd na bezwaar. Appellante stelde in beroep dat zij wel degelijk psychische klachten had, mede door slechte behandeling door haar stiefvader.
De Raad overwoog dat verweerster discretionaire bevoegdheid heeft om personen gelijk te stellen die in omstandigheden verkeerden die overeenkomen met vervolging, mits het niet toepassen van de wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn. De Raad vond dat verweerster terecht het verzoek afwees op basis van medische adviezen van twee geneeskundig adviseurs, waaronder een rapport van arts J. Hansma, die concludeerden dat de lichamelijke klachten berusten op artrose en de psychische klachten gering zijn en niet het niveau van ziekte bereiken.
De Raad zag geen aanleiding om aan deze medische beoordeling te twijfelen, omdat geen tegenstrijdige medische informatie was ingebracht. De Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees een vergoeding van proceskosten af. Het besluit van verweerster blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de gelijkstelling en uitkering wordt gehandhaafd.