ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1094
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WUV-uitkering wegens ontbreken van vrijheidsberoving tijdens Japanse bezetting
Appellant, geboren in 1939 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht om een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV). Hij stelde dat hij en zijn familie tijdens de Japanse bezetting en de Bersiapperiode geïnterneerd waren geweest, althans onder huisarrest stonden, en dat hij daardoor psychische en lichamelijke klachten had.
De verweerster wees de aanvraag af omdat niet kon worden vastgesteld dat appellant in de zin van de Wet vervolging had ondergaan, in het bijzonder vrijheidsberoving door opsluiting of gedwongen verblijf onder permanente bewaking. Het onderzoek van archieven, waaronder die van het Rode Kruis en de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen, leverde geen bewijs op dat appellant en zijn familie daadwerkelijk geïnterneerd waren tijdens de bezetting.
De Raad concludeerde dat het verblijf van appellant en zijn familie pas na de Japanse bezetting als internering kan worden aangemerkt. Hoewel appellant angstige en zware tijden heeft doorgemaakt, biedt de Wet geen grondslag voor erkenning als vervolgde zonder de vereiste vrijheidsberoving. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de WUV-uitkering wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van vastgestelde vrijheidsberoving tijdens de Japanse bezetting.