ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1362
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. ’t Hooft
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag huishoudelijke hulp bij chronisch vermoeidheidssyndroom
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor huishoudelijke hulp op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), welke door Stichting Centrale Zorgverzekeraars (CZ) is afgewezen. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft het beroep van appellant tegen dit besluit afgewezen, stellende dat het onderzoek naar de medische situatie van appellant zorgvuldig en volledig was uitgevoerd.
De medische beoordeling betrof onder meer adviezen van het Regionaal Indicatieorgaan (RIO), aanvullend onderzoek door de GGD, gesprekken met appellant en inbreng van medische rapporten van diverse specialisten zoals psycholoog, internist, neuroloog en revalidatieartsen. De rechtbank concludeerde dat de beschikbare medische gegevens onvoldoende objectieve aanwijzingen bevatten dat appellant vanwege zijn chronisch vermoeidheidssyndroom huishoudelijke hulp nodig had.
In hoger beroep heeft appellant geen nieuwe, concrete en verifieerbare gegevens aangevoerd die aanleiding geven het eerdere oordeel te herzien. De brief van Prof. Dr. K. De Meirleir, waarin wordt gesteld dat de inspanningscapaciteit van appellant normaal is, leidt niet tot een andere indicatiestelling. De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom het oordeel van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
De uitspraak is gedaan door M.I. ’t Hooft en op 1 november 2006 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van griffier R.L. Rijnen.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag huishoudelijke hulp wordt bevestigd wegens onvoldoende medische beperkingen.