ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1427
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Verzekeringsplicht dochter als werkneemster bij familierelatie niet aangenomen
Appellante had haar dochter per 1 augustus 2003 aangemeld als werkneemster voor 28 uur per week, waarna het UWV onderzoek deed naar de verzekeringsplicht. Het UWV besloot dat er geen sprake was van een arbeidsovereenkomst omdat een gezagsverhouding ontbrak, mede door de familierelatie tussen moeder en dochter.
De rechtbank Alkmaar onderschreef dit standpunt en oordeelde dat de verhouding tussen moeder en dochter voornamelijk door familiebanden werd beheerst. De zorg die de dochter verleende was een voortzetting van de onbetaalde zorg die zij eerder aan haar moeder gaf. Het feit dat er een takenlijst was en enige regie door appellante werd uitgeoefend, was onvoldoende om een privaatrechtelijke dienstbetrekking aan te nemen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat in gevallen van ouder-kind arbeidsrelaties zonder duidelijke gezagsverhouding geen dienstbetrekking wordt aangenomen. De zorg die de dochter verleende werd gezien als een bijzondere familiale dienstverlening, mede vanwege de positieve invloed op de gezondheidstoestand van de moeder. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat verzekeringsplicht van rechtswege ontstaat. De Raad wijst ook het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De verzekeringsplicht van de dochter als werkneemster wordt afgewezen vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding door de overheersende familierelatie.