ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1460
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor WAO-functies
Appellante, voorheen werkzaam als steksteekster, ontving sinds 1996 een WAO-uitkering die per 31 oktober 2001 werd ingetrokken vanwege geschiktheid voor functies en een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 15%. Na een periode van WW-uitkering meldde zij zich in januari 2003 ziek met pijnklachten. Een verzekeringsarts verklaarde haar in juli 2003 hersteld voor haar laatst verrichte werk.
Het UWV weigerde daarop een Ziektewetuitkering, wat door appellante werd aangevochten. Bij bezwaar en in hoger beroep werd vastgesteld dat onder 'zijn arbeid' de functies moeten worden verstaan die in het kader van de WAO-schatting als geschikt werden aangemerkt. Appellante was slechts vijf halve dagen werkzaam geweest als orchideeënstekster, een functie die te zwaar voor haar was.
De medische informatie toonde aan dat haar klachten, geduid als fibromyalgie, niet tot volledige arbeidsongeschiktheid leidden en dat revalidatie en fysiotherapie succesvol waren. De bezwaarverzekeringsarts achtte haar geschikt voor de WAO-functies. De Raad concludeerde dat appellante ongeschikt was voor haar oude werk, maar geschikt voor de WAO-functies en bevestigde daarom de weigering van de Ziektewetuitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor WAO-functies.