ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1463
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens geschiktheid voor eigen arbeid
Appellante, voormalig veemarbeidster, viel in 1996 uit met klachten aan de rechterpols en kreeg geen WAO-uitkering omdat zij geschikt werd geacht voor gangbare arbeid. Na ziekmelding in december 2002 met spier-, pees- en gewrichtsklachten, verklaarde een verzekeringsarts haar per 17 februari 2003 hersteld en weigerde het UWV ziekengeld. Het bezwaar van appellante werd ongegrond verklaard na onderzoek door een bezwaarverzekeringsarts.
De rechtbank bevestigde deze beslissing, waarna appellante hoger beroep instelde met het argument dat zij niet hersteld was en nog onderzoeken moesten plaatsvinden. Ter onderbouwing overhandigde zij een brief van een neuroloog, maar de Raad oordeelde dat deze geen relevante medische beperkingen aantoonde voor de datum in geschil.
De Raad stelde vast dat onder 'zijn arbeid' wordt verstaan de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid, en bij blijvende ongeschiktheid na de maximale ziekengeldperiode gangbare arbeid. Appellante werd geacht geschikt te zijn voor de functies die haar waren voorgehouden bij de WAO-beoordeling. Het medisch onderzoek was zorgvuldig en het hoger beroep werd afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld omdat appellante niet ongeschikt werd geacht haar arbeid te verrichten vanaf 17 februari 2003.