ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1524

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 oktober 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-272 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
  • H.R. Geerling-Brouwer
  • G.F. Walgemoed
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 21 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorziening auto op grond van Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 wegens ontbreken absolute vervoersbeperking

Appellante, gelijkgesteld met een vervolgde en uitkeringsgerechtigde op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, verzocht meerdere malen om een voorziening in de kosten van aanschaf van een auto. Deze verzoeken werden door verweerster afgewezen wegens het ontbreken van een medische noodzaak of medisch-sociale wenselijkheid, omdat appellante niet volledig verhinderd is om openbaar vervoer en taxi te gebruiken.

Appellante voerde aan dat haar psychische klachten aanzienlijk waren verergerd, waardoor zij nu wel afhankelijk zou zijn van een eigen auto. De Raad oordeelde echter dat het uitgangspunt van verweerster, namelijk toekenning alleen bij absolute verhindering van openbaar vervoer en taxi, in lijn is met de wet en redelijke uitleg daarvan.

De medische adviezen van geneeskundig adviseurs, gebaseerd op onderzoek en informatie uit de behandelende sector, wezen uit dat appellante weliswaar vermijdingsgedrag vertoont, maar geen onmogelijkheid heeft om openbaar vervoer of taxi te gebruiken. De Raad vond geen grond om het besluit te vernietigen en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard omdat geen absolute vervoersbeperking is vastgesteld.

Uitspraak

06/272 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante)
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster).
Datum uitspraak: 26 oktober 2006
I PROCESVERLOOP
Namens appellante is beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 22 december 2005, kenmerk JZ/Y70/2005, door verweerster ten aanzien van appellante genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2006. Aldaar is appellante in persoon verschenen met bijstand van mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Blijkens de gedingstukken is appellante, geboren in 1955, gelijkgesteld met de vervolgde en als zodanig uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. In het verleden is aanvaard dat de psychische klachten van appellante in overwegende mate in verband staan met de vervolging van haar ouders. Een in augustus 1997 ingediende aanvraag om toekenning van een voorziening in de kosten van aanschaf van een auto is door verweerster afgewezen bij besluit van 29 september 1997, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 januari 1998, onder overweging dat voor deze voorziening geen medische noodzaak of medisch-sociale wenselijkheid bestaat nu geen sprake is van een totale beperking om van het openbaar vervoer gebruik te maken. Het tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van de Raad van 17 februari 2000, nr. 98/1936 WUV, ongegrond verklaard.
In maart 2004 heeft appellante verweerster nogmaals verzocht om haar op grond van de Wet een voorziening in de kosten van aanschaf van een auto toe te kennen. Daartoe heeft appellante aangevoerd dat haar psychische klachten inmiddels aanzienlijk zijn verergerd.
Ook die aanvraag heeft verweerster afgewezen en wel bij besluit van 7 januari 2005, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Daartoe is overwogen - samengevat - dat uit de voorhanden medische gegevens niet is kunnen blijken dat appellante helemaal geen gebruik kan maken van alle middelen van openbaar vervoer inclusief de taxi.
Namens appellante is deze zienswijze van verweerster in beroep bestreden, aanvoerend dat de psychische klachten van appellante thans wel degelijk zodanig zijn toegenomen dat appellante op een eigen auto is aangewezen.
Ter beantwoording staat de vraag of, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
De Raad heeft in vaste rechtspraak aanvaard dat, gelet op de aard van de gevraagde voorziening, het door verweerster in dezen gehanteerde uitgangspunt om eerst dan over te gaan tot toekenning van de gevraagde vergoeding of tegemoetkoming, indien sprake is van een absolute verhindering om van het openbaar vervoer en van een taxi gebruik te maken, in overeenstemming is met een redelijke uitleg en toepassing van de artikelen 20 en 21 van de Wet.
Het standpunt van verweerster dat een zodanige situatie zich in het geval van appellante niet voordoet, is in overeenstemming met adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, welke adviezen berusten op onderzoek van appellante op 12 december 2004 door een van deze adviseurs, de arts R. van Gorkum, en op informatie uit de behandelende sector. In die adviezen is aangegeven - kort samengevat - dat bij appellante weliswaar sprake is van vermijdingsgedrag ten aanzien van het openbaar vervoer maar dat aard en omvang van de bij haar aanwezige psychopathologie, waarbij fobische klachten grotendeels ontbreken, niet wijzen op een onmogelijkheid om van openbaar vervoer en taxi gebruik te maken.
De Raad acht het bestreden besluit op grond van de genoemde medische adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd.
In de voorhanden medische en andere gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunt gevonden om het in deze adviezen neergelegde, door verweerster gevolgde standpunt onjuist te oordelen. Hierbij neemt de Raad mede in aanmerking dat appellante voor haar psychische klachten niet onder gerichte medische behandeling staat. De enkele - met het oog op ondersteuning van de onderhavige aanvraag door appellante ondernomen - contacten met de psychiater C.M.M. Vleugels te Venlo hebben, in een verklaring van deze psychiater van 28 juni 2004, niet méér opgeleverd dan een weergave van hetgeen appellante aan deze psychiater heeft meegedeeld; tot een beoordeling en behandeling is het niet gekomen.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond bestaat, zodat het bestreden besluit in rechte kan standhouden en het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2006.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) J.P. Schieveen.
HD
10.1