ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1526
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.L.M.J. Stevens
- H.R. Geerling-Brouwer
- G.F. Walgemoed
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanvraag voorziening auto op grond van Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Appellant, een uitkeringsgerechtigde vervolgingsslachtoffer uit het voormalige Nederlands-Indië, verzocht om een voorziening in de kosten van aanschaf van een auto wegens medische klachten die verband houden met zijn vervolging. Verweerster wees dit verzoek af, omdat appellant niet volledig verhinderd is om met openbaar vervoer of taxi te reizen.
Appellant stelde dat hij alleen met zeer vertrouwde personen kan meerijden en dat zijn klachten en achterdocht dit bemoeilijken. De Raad overwoog dat het begrip absolute verhindering strikt wordt uitgelegd en alleen bij zeer zware vervolging, zoals tewerkstelling aan de Burmaspoorweg, een uitzondering geldt.
De medische rapportage bevestigde dat appellant onder bepaalde omstandigheden kan meerijden met een vertrouwd persoon, waardoor geen absolute verhindering bestaat. De Raad vond het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van een voorziening voor de aanschaf van een auto wordt ongegrond verklaard.