Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1712

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 oktober 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04/3922 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging WAO-uitkeringsbesluit ondanks discussie over arbeidsongeschiktheid en functietoewijzing

Appellante heeft een WAO-uitkering toegekend gekregen met ingang van 15 februari 2000, berekend op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%. Het UWV verklaarde het bezwaar van appellante tegen deze schatting ongegrond, waarna ook de rechtbank Rotterdam dit besluit bevestigde. In hoger beroep betoogde appellante dat de functie van assemblagemedewerker niet adequaat was betrokken in de schatting van de arbeidsongeschiktheid.

De Raad oordeelde dat het UWV met aanvullende rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige deze functie alsnog voldoende had betrokken en dat het besluit op goede gronden was genomen. Medisch onderzoek door verzekeringsartsen en aanvullende informatie van huisartsen en psychiaters vormden een degelijke basis voor de beoordeling van de gezondheidstoestand van appellante.

De Raad hechtte geen waarde aan de niet-medisch onderbouwde mening van appellante over haar gezondheid en constateerde dat zij geen aanvullend medisch bewijs had overgelegd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het UWV-besluit en verklaart het beroep van appellante ongegrond.

Uitspraak

04/3922 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 juni 2004, 03/478 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
Datum uitspraak: 27 oktober 2006
I. PROCESVERLOOP
Bij besluit van 25 september 2001 heeft het Uwv met ingang van 15 februari 2000 aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
Bij beslissing op bezwaar van 29 januari 2003, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het namens appellante door mr. A. Bosveld, advocaat te Rotterdam, gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank Rotterdam heeft bij de hiervoor bedoelde uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. Bosveld voornoemd van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2006. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Bosveld. Het Uwv heeft zich, zoals was aangekondigd, niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante op 15 februari 2000, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen resulteert volgens het Uwv in een verlies aan verdiencapaciteit van 22,4%.
Voor wat betreft de medische kant van de schatting is in het onderhavige geval naar het oordeel van de Raad sprake van een zorgvuldig medisch onderzoek. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de verzekeringsarts J.P. Janssen eigen onderzoek heeft gedaan en informatie heeft ingewonnen bij appellantes huisarts, alsmede bij de psychiater
A. de Werk. De bezwaarverzekeringsarts J.H. Logger heeft in de bezwaarfase aanleiding gezien om de belastbaarheid nog (marginaal) beperkter in te schatten.
De beschikbare gegevens bevatten naar het oordeel van de Raad voldoende informatie omtrent de gezondheidstoestand van appellante op de in geding zijnde datum om tot een verantwoord oordeel te komen.
Aan de eigen, niet met medische gegevens onderbouwde, mening van appellante met betrekking tot haar gezondheidstoestand kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat zij daaraan gehecht wil zien. Daarbij merkt de Raad op dat appellante in het hoger beroepschrift heeft aangekondigd een onafhankelijk arts te zullen raadplegen, doch geen rapport heeft overgelegd, noch anderszins het beroep heeft onderbouwd met nadere medische gegevens.
Voor wat betreft de arbeidskundige kant steunt de schatting op de door de bezwaararbeidsdeskundige J.A.M. Snijders in zijn rapportage van 15 april 2003 aangegeven functies.
Ter zitting van de Raad heeft mr. Bosveld (nogmaals) gewezen op het feit dat de bezwaarverzekeringsarts J.H. Logger in zijn rapport van 22 augustus 2002 heeft aangegeven dat er, naar aanleiding van de marginale wijzigingen van de belastbaarheid, over de passendheid van de functies nog overleg diende plaats te vinden met een bezwaararbeidsdeskundige. Nu de functie van assemblagemedewerker (Fb-code 8463) niet nader is besproken, althans niet in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige M.A.W. Vrolijk van 2 november 2002 is betrokken, kan deze functie niet aan de schatting ten grondslag worden gelegd, aldus appellantes gemachtigde.
De Raad is evenwel van oordeel dat het Uwv, met de rapportage van bezwaararbeids-deskundige Snijders van 24 februari 2004, ook deze functie uiteindelijk van de noodzakelijk geachte toelichting op de schijnbare overschrijdingen heeft voorzien. Hieruit volgt dat het bestreden besluit op goede gronden is genomen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2006.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) W.R. de Vries.
PR/091006