ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1866
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken samenhang met hoofdzaak
Verzoeker, sinds 1998 werkzaam bij de Koninklijke marine, werd na onvoldoende functioneren als wachtofficier geplaatst op een andere functie met een tijdelijk contract, maar meldde zich ziek en ging niet op het aanbod in. Na een verzoek om een juridische functie dat werd afgewezen, werd hij aangewezen als herplaatsingskandidaat vanwege onplaatsbaarheid als wachtofficier. Tegen het besluit tot afwijzing van zijn functieaanvraag is hoger beroep ingesteld.
Verzoeker vroeg tevens een voorlopige voorziening om in dienst te blijven totdat op het hoger beroep zou zijn beslist, met het argument dat hij zijn rechtenstudie anders niet kon afronden. De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek om voorlopige voorziening niet voldoet aan het samenhangvereiste uit artikel 8:81 Awb Pro, omdat het verzoek betrekking heeft op het in dienst houden en niet op het besluit dat onderwerp is van het hoger beroep.
Omdat het besluit tot herplaatsing waaruit mogelijk ontslag volgt niet in hoger beroep is genomen, is het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Tevens werden geen proceskosten toegekend. De uitspraak werd gedaan door de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep op 28 maart 2006.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van samenhang met het hoger beroep.