ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1929

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-253 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWerkloosheidswet (WW)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WW-uitkering aan directeur door ontbreken dienstbetrekking

Appellant, directeur van een besloten vennootschap (B.V.), verzocht het UWV om een WW-uitkering na het faillissement van de B.V. Het UWV wees dit verzoek af omdat appellant niet verzekerd was voor de WW, een standpunt dat door de rechtbank werd bevestigd.

In hoger beroep stelde appellant dat hij wel degelijk onder gezag van de B.V. werkzaam was, hetgeen een vereiste is voor het aannemen van een dienstbetrekking. De Raad oordeelde dat de feitelijke situatie leidend is bij de beoordeling van het bestaan van een dienstbetrekking, ongeacht de kwalificatie door partijen.

De Raad concludeerde dat er geen aanwijzingen waren dat de B.V. werkgeversgezag uitoefende over appellant. Appellant slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij verantwoording moest afleggen aan de buitenlandse holding waarvan hij eveneens bestuurder was. Hierdoor ontbrak de noodzakelijke gezagsverhouding voor een dienstbetrekking.

De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank, en zag geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 2 november 2006.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens het ontbreken van een dienstbetrekking.

Uitspraak

06/253 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 december 2005, 05/2599 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 november 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 31 augustus 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J. Lemckert. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door R.A. Kneefel, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad stelt voorop dat het in geding zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de op deze wet rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde in geding.
Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Rotterdam is op 7 maart 1995 [de besloten vennootschap], gevestigd te Vlaardingen, (hierna: [de B.V.]) opgericht. Uit voornoemd uittreksel blijkt tevens dat appellant als bestuurder van [de B.V.] is ingeschreven. Vanaf 1 december 1998 tot 24 november 2004 is appellant werkzaam geweest als directeur van [de B.V.]. Op 31 januari 2005 heeft appellant bij het Uwv een aanvraag tot overneming van de betalingsverplichtingen ingediend in verband met het faillissement van [de B.V.].
Bij besluit van 2 maart 2005 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij geen recht heeft op een uitkering ingevolge (hoofdstuk IV) van de WW, omdat hij niet verzekerd is voor de WW. Bij besluit op bezwaar van 7 juni 2005 heeft het Uwv dat standpunt gehandhaafd, welk standpunt door de rechtbank is onderschreven.
De Raad overweegt als volgt.
Het standpunt van gedaagde komt er op neer dat de voor het aannemen van een dienstbetrekking vereiste gezagsverhouding tussen appellant en [de B.V.] ontbreekt. Appellant heeft dit standpunt in hoger beroep gemotiveerd bestreden.
De Raad heeft vaker tot uitdrukking gebracht dat bij de beoordeling of sprake is van een dienstbetrekking de feitelijke situatie van doorslaggevend belang is, ongeacht de kwalificatie die partijen zelf aan de arbeidsverhouding hebben gegeven. De Raad is van oordeel dat uit geen enkel feit blijkt dat door [de B.V.] werkgeversgezag is uitgeoefend ten opzichte van appellant. Nu appellant een aanvraag heeft ingediend om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de WW ligt het op zijn weg om aannemelijk te maken dat hij onder gezag van [de B.V.] werkzaam is geweest. Daarin is appellant naar het oordeel van de Raad niet geslaagd. In het bijzonder heeft appellant niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat hij verantwoording diende af te leggen aan de buitenlandse holding van de aandelen van [de B.V.], van welke holding hij ook bestuurder was.
Het vorenoverwogene leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 november 2006.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.
RB2010