ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1929
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering aan directeur door ontbreken dienstbetrekking
Appellant, directeur van een besloten vennootschap (B.V.), verzocht het UWV om een WW-uitkering na het faillissement van de B.V. Het UWV wees dit verzoek af omdat appellant niet verzekerd was voor de WW, een standpunt dat door de rechtbank werd bevestigd.
In hoger beroep stelde appellant dat hij wel degelijk onder gezag van de B.V. werkzaam was, hetgeen een vereiste is voor het aannemen van een dienstbetrekking. De Raad oordeelde dat de feitelijke situatie leidend is bij de beoordeling van het bestaan van een dienstbetrekking, ongeacht de kwalificatie door partijen.
De Raad concludeerde dat er geen aanwijzingen waren dat de B.V. werkgeversgezag uitoefende over appellant. Appellant slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij verantwoording moest afleggen aan de buitenlandse holding waarvan hij eveneens bestuurder was. Hierdoor ontbrak de noodzakelijke gezagsverhouding voor een dienstbetrekking.
De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank, en zag geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 2 november 2006.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens het ontbreken van een dienstbetrekking.