ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1937

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-4969 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:75 AwbArt. 7:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herroeping intrekking WAO-uitkering en vergoeding wettelijke rente

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering per 25 maart 2003 in te trekken wegens vermeende vermindering van arbeidsongeschiktheid tot minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep heeft het UWV echter aangegeven het besluit niet langer te handhaven en de uitkering ongewijzigd voort te zetten met een arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%.

De Centrale Raad van Beroep vernietigt daarop de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit. De Raad herroept het primaire besluit van 17 maart 2003 en bepaalt dat appellante vanaf 25 maart 2003 ongewijzigd wordt ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%.

Verder wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van de wettelijke rente over de te laat betaalde uitkering en tot betaling van de proceskosten voor bezwaar, beroep en hoger beroep, in totaal €1.288,--, alsmede het betaalde griffierecht van €139,--. De Raad verwijst voor de berekening van de rente naar eerdere jurisprudentie.

Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd en de uitkering wordt ongewijzigd voortgezet met een arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%.

Uitspraak

04/4969 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 30 juli 2004, 04/254 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 3 november 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.J. Klinkert, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2006. Partijen zijn niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Bij bestreden besluit van 10 februari 2004 heeft het Uwv de aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktsheidsverzekering met ingang van 25 maart 2003 ingetrokken. Daaraan ligt ten grondslag dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op die datum tot minder dan 15% zou zijn afgenomen.
De rechtbank heeft het namens appellante tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft het Uwv bij brief van 19 september 2006 meegedeeld de bestreden beslissing niet langer te handhaven en de WAO-uitkering van appellante per 25 maart 2003 ongewijzigd voort te zetten op basis van een arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%.
Gelet op het bij brief van 19 september 2006 ingenomen standpunt, zal de Raad de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit vernietigen. Vervolgens zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit van 17 maart 2003 te herroepen in die zin dat appellante ingaande 25 maart 2003 ongewijzigd wordt ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%.
Namens appellante is verzocht het Uwv te veroordelen in de door haar geleden schade, bestaande uit de wettelijke rente over de te laat betaalde uitkering.
Ingevolge ’s Raads jurisprudentie dient dit verzoek te worden toegewezen. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de aan appellante toekomende vergoeding van de schade dient te berekenen, volstaat de Raad met te verwijzen naar zijn uitspraak van 1 november 1995, gepubliceerd in JB 1995/314.
Met betrekking tot het verzoek van appellante om veroordeling in de proceskosten zowel in de bezwaarfase, in beroep als hoger beroep overweegt de Raad het volgende.
Aangezien sprake is van een herroeping van het bestreden besluit en verder is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 7:15 van Pro de Awb zal de Raad het Uwv op grond van artikel 8:75 in Pro verbinding met artikel 7:15, tweede tot en met vierde lid, van de Awb veroordelen in de proceskosten die appellante redelijkerwijs in bezwaar heeft moeten maken voor verleende rechtsbijstand, ten bedrage van € 644,--. De Raad zal het Uwv voorts veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep eveneens voor verleende rechtsbijstand. Deze kosten zijn begroot op € 322,-- in eerste aanleg en € 322,-- in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Herroept het primaire besluit van 17 maart 2003;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering als hiervoor is overwogen;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 139,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.C. Stam en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 november 2006.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.J. Janssen.
EK2610