ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1940
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid toepassing dagloonregels bij WW-uitkering seizoenarbeidster
Appellante, werkzaam als seizoenarbeidster bij een reisbureau in Spanje, vroeg na afloop van het seizoen 2004 een WW-uitkering aan. Het UWV kende haar een WW-uitkering toe, waarbij het dagloon werd vastgesteld volgens artikel 12, tweede lid, van de Dagloonregels Invoeringswet Stelselherziening Sociale Zekerheid (IWS). Appellante maakte bezwaar tegen deze toepassing, maar dit werd ongegrond verklaard.
De rechtbank Rotterdam oordeelde eveneens dat het UWV de regels correct had toegepast. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en bevestigt dat appellante onvoldoende schriftelijke bewijsstukken overlegd heeft van sollicitaties buiten het seizoen in de referteperiode van 20 oktober 2003 tot 17 oktober 2004. Sollicitaties na deze periode zijn niet relevant.
De Raad wijst erop dat appellante bij de WW-aanvraag gevraagd werd naar sollicitatieactiviteiten vanaf het moment dat zij wist dat zij aanspraak op een uitkering zou maken. Gezien een eerdere beroepszaak was het appellante duidelijk dat zij verifieerbare sollicitaties naar opvularbeid tussen seizoenen moest verrichten. De Raad concludeert dat appellante uit eigen keuze afwisselend wel en niet werkzaam is geweest, waardoor de toepassing van artikel 12, tweede lid, gerechtvaardigd is.
Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.