ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1941
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering wegens beperkte arbeidsongeschiktheid
Appellante ging in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, waarin werd geoordeeld dat het UWV terecht haar WAO-uitkering had herzien per 3 september 2001. Appellante stelde dat onvoldoende onderzoek was gedaan naar haar psychische klachten en dat informatie van haar huisarts ontbrak. Ook betwistte zij de aanvaarding van overschrijdingen van haar psychische belastbaarheid.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de bevindingen van de verzekeringsartsen, die beperkingen vaststelden ten aanzien van knieën, voeten en psychische belastbaarheid, niet onjuist waren. Daarbij werd meegewogen dat appellante onder behandeling was van haar huisarts en medicatie kreeg voorgeschreven. De Raad verwierp het bezwaar dat informatie bij de huisarts had moeten worden opgevraagd, verwijzend naar eerdere jurisprudentie.
Voorts achtte de Raad de vastgestelde belastbaarheid en de aan appellante voorgehouden functies medisch passend. De mogelijke overschrijding van de psychische belastbaarheid, met name op het aspect van aanmerkelijke tijdsdruk, viel binnen haar belastbaarheid. De arbeidskundige beoordeling werd eveneens als goed onderbouwd beschouwd.
De Raad bevestigde daarmee de aangevallen uitspraak en zag geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De herziening van de WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% werd gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering naar een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.