ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1956
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Verzoeker ontving sinds 1999 een bijstandsuitkering als alleenstaande. Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage trok de uitkering met ingang van 1 januari 2006 in vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met een ander persoon zonder dit te melden. Verzoeker stelde dat sprake was van een tijdelijke situatie en dat hij geen gezamenlijke huishouding voerde.
De Raad overwoog dat uit diverse feiten, waaronder een verklaring aan de woningbouwvereniging en een huisbezoek, blijkt dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. De persoonlijke bezittingen waren door elkaar, er was geen sprake van een zakelijke onderhuurrelatie en verzoeker had zich niet als woningzoekende ingeschreven. Het College had de bevoegdheid tot intrekking en terugvordering van de bijstand op grond van de WWB terecht uitgeoefend.
De voorzieningenrechter van de Raad concludeerde dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank terecht was en dat geen grond bestond voor een voorlopige voorziening. Het verzoek werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en de intrekking van de bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.