ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1960
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen boetenota's op basis van correctienota's in sociale verzekeringsrecht
In deze bestuursrechtelijke zaak staat het hoger beroep centraal van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam over correctienota's en boetenota's opgelegd aan een besloten vennootschap. De correctienota's betreffen de jaren 1998 tot en met 2001 en zijn gebaseerd op de vaststelling dat de directeuren van de vennootschap in een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding stonden tot de vennootschap.
De rechtbank had het bezwaar tegen de correctienota's niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van bezwaarschriften, en het bezwaar tegen de boetenota's ongegrond. De rechtbank oordeelde echter dat appellant niet aan zijn zorgvuldigheidsverplichting had voldaan omdat er geen nader onderzoek was gedaan naar gewijzigde feiten omtrent de verzekeringsplicht.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt anders en stelt dat de correctienota's juridisch vaststaan, omdat eerdere procedures deze arbeidsverhouding bevestigden en het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring niet is doorgezet. Daarom is appellant verplicht de boete op te leggen. De grieven van betrokkene richten zich vooral op de arbeidsverhouding, een punt dat niet meer ter discussie staat. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de boetenota's wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover aangevochten.