ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1963
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen mededeling over ZW-uitkering
Appellant, jarenlang stratenmaker, ontving een WW-uitkering vanaf januari 2004 en later een ZW-uitkering wegens een ongeval in februari 2004. Het UWV stelde het dagloon vast op basis van het WW-dagloon en betaalde een ZW-uitkering. In februari 2005 informeerde het UWV appellant per brief dat de hoogte van de ZW-uitkering ongewijzigd bleef, mede vanwege het wegvallen van een CAO-aanvulling.
Appellant maakte bezwaar tegen deze brief, maar het UWV verklaarde dit bezwaar ongegrond. De rechtbank oordeelde dat de brief geen besluit in de zin van de Awb was en dat het bezwaar daarom niet-ontvankelijk was. Het beroep van appellant tegen deze beslissing werd gegrond verklaard en het besluit van 21 april 2005 vernietigd.
In hoger beroep bestreed appellant de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar. Hij stelde dat hij niet bedacht hoefde te zijn op het gebruik van het WW-dagloon als maatstaf voor de ZW-uitkering en dat zijn bezwaar feitelijk zag op de eerdere dagloonvaststelling. De Raad volgde echter de rechtbank en oordeelde dat de brief slechts een mededeling was zonder zelfstandig rechtsgevolg en dus geen appellabel besluit. De bezwaarclausule in de brief veranderde hier niets aan.
De Raad bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar en corrigeerde dat het beroep tegen het besluit van 21 april 2005 gegrond verklaard had moeten worden, maar dat dit niet in de uitspraak was opgenomen. De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de brief van 18 februari 2005 is niet-ontvankelijk verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.