ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2112

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-2652 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid door UWV op 25-35%

Appellant betwistte de door het UWV vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% per 17 december 2002 en stelde dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Hij overlegde verklaringen van behandelend psychologen die zijn arbeidsongeschiktheid onderschrijven en verzocht om benoeming van een deskundige.

De bezwaarverzekeringsarts had deze verklaringen reeds beoordeeld en haar standpunt bevestigd dat de beperkingen van appellant niet tot volledige arbeidsongeschiktheid leiden. De Raad zag geen aanleiding een deskundige te benoemen, omdat er geen nieuwe gezichtspunten waren ingebracht.

De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid heeft vastgesteld op 25 tot 35%. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er was geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Het hoger beroep werd behandeld op 29 september 2006, waarbij appellant niet verscheen. De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep werd op 10 november 2006 in het openbaar gedaan door J. Janssen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant arbeidsongeschikt is voor 25 tot 35% en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

04/2652 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 8 april 2004, 03/358 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uvw).
Datum uitspraak: 10 november 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. F.H. Kuiper, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 9 februari 2006 heeft mr. D. Dronkers, advocaat te Maastricht, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2006.
Appellant is niet verschenen en het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F. Houtbeckers.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 18 november 2002 heeft het Uwv met ingang van 17 december 2002 aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
Bij besluit van 4 februari 2003 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 november 2002 ongegrond verklaard.
Bij besluit van 10 december 2003 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar alsnog gegrond verklaard en dat besluit in de plaats gesteld van het besluit van 4 februari 2003 voor zover dat betrekking heeft op de mate van arbeids- ongeschiktheid. Per 17 december 2002 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid bepaald op 25 tot 35%.
De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 4 februari 2003 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover dat betrekking heeft op de vastgestelde arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%. Het beroep tegen het besluit van
10 december 2003 heeft de rechtbank ongegrond verklaard.
Appellant is van mening dat hij volledig arbeidsongeschikt is en heeft gewezen op de (in beroep overgelegde) verklaringen van de behandelend psycholoog P.L. Jung van 21 februari 2003 en 3 april 2003, waarin is aangegeven dat toeleiding naar arbeid ontraden moet worden, respectievelijk dat appellant niet staat is tot loonvormende arbeid, alsmede op de brief van de klinisch psycholoog drs. S.P.M. Frissen van 21 oktober 2002. Volgens appellant heeft de bezwaarverzekeringsarts deze informatie onvoldoende gewogen en er niet inhoudelijk op gereageerd. Verzocht is om een deskundige te benoemen.
De Raad is van oordeel dat er, gelet op de stukken, geen grond bestaat voor twijfel aan de door het Uwv - op basis van de door de verzekeringsartsen uitgebrachte rapportages - in acht genomen medische beperkingen van appellant. Bezwaarverzekeringsarts P. Kerbusch heeft reeds bij schrijven van 22 april 2003 op de bovengenoemde verklaringen van de behandelend psychologen gereageerd en ook in hoger beroep nogmaals haar standpunt uiteengezet. Nadien zijn geen nieuwe gezichtspunten naar voren gebracht, zodat de Raad dan ook geen aanleiding ziet om een deskundige te benoemen.
Wat betreft de geschiktheid van de geselecteerde functies stelt de Raad zich eveneens achter de overwegingen van de rechtbank, ter zake en is, met de rechtbank van oordeel dat het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 17 december 2002 heeft vastgesteld op 25 tot 35%.
Gelet op het vorengaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 november 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.H.A. Uri.