ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2116

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5694 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11.5 Wet studiefinanciering 2000
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering terugwerkende kracht aanvullende studiefinancieringsbeurs

Appellant diende een aanvraag in voor studiefinanciering waarbij abusievelijk niet werd aangekruist dat hij ook recht had op een aanvullende beurs. De IB-Groep kende hem een basisbeurs toe, maar wees een verzoek om terugwerkende kracht voor de aanvullende beurs af. Appellant stelde dat hij en zijn moeder herhaaldelijk contact hadden gehad met de IB-Groep over de aanvullende beurs en dat hij pas na een jaar bij de servicebalie werd geïnformeerd over zijn recht.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat niet was voldaan aan de uitzonderlijke omstandigheden zoals bedoeld in artikel 11.5 van de Wet studiefinanciering 2000. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en benadrukte dat appellant zelf een fout had gemaakt door het formulier onjuist in te vullen en geen bezwaarschrift had ingediend binnen de termijn.

De Raad stelde vast dat niet met zekerheid kon worden vastgesteld welke informatie appellant telefonisch had ontvangen en dat geen ondubbelzinnige toezeggingen of gerechtvaardigde verwachtingen waren gewekt door de IB-Groep. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van terugwerkende kracht voor de aanvullende beurs wordt bevestigd.

Uitspraak

05/5694 WSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 9 augustus 2005, nr. 05/448 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep)
Datum uitspraak: 10 november 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2006. Appellant is in persoon verschenen. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. drs. E.H.A. van den Berg.
II. OVERWEGINGEN
Appellant heeft op 7 september 2003 een (VO18+)formulier ingezonden waarop hij bij de vraag 'Welke tegemoetkoming wil je' zowel 'basistoelage' als 'basistoelage en aanvullende toelage' heeft aangekruist. De IB-Groep heeft daarop aan appellant bericht dat hij, gezien de opleiding die appellant volgt, onder de Wet studiefinanciering 2000 valt en dat hij voor het aanvragen van studiefinanciering een ander formulier moet gebruiken. Met het daartoe bestemde formulier heeft appellant vervolgens op 18 september 2003 studiefinanciering aangevraagd. Hij heeft echter abusievelijk verzuimd om op dat formulier aan te kruisen dat hij ook voor een aanvullende beurs in aanmerking wenste te komen. De IB-Groep heeft hem vervolgens bij besluit van 17 oktober 2003 studiefinanciering toegekend in de vorm van een basisbeurs en een OV-studentenkaart. Appellant heeft tegen dat besluit geen bezwaarschrift ingediend. Hij stelt dat hij en/of zijn moeder wel tientallen keren hebben gebeld met de IB-Groep over het niet ontvangen van een aanvullende beurs. Hij is uiteindelijk verwezen naar de servicebalie te Deventer, waar een medewerkster hem behulpzaam is geweest met het indienen van een aanvraag om toekenning van een aanvullende beurs. Deze medewerkster zou appellant voorts hebben aangeraden schriftelijk om toekenning met terugwerkende kracht te vragen en, in geval van afwijzing, een bezwaarschrift in te dienen. De aanvullende beurs is met ingang van 1 november 2004 toegekend. Appellant heeft bij schrijven van 23 november 2004 verzocht de aanvullende beurs met terugwerkende kracht toe te kennen.
Bij schrijven van 18 januari 2005 heeft de IB-Groep, in antwoord op de brief van appellant van 23 november 2004, meegedeeld dat zijn verzoek om toekenning van een aanvullende beurs met terugwerkende kracht is afgewezen.
Bij besluit van 24 maart 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft de IB-Groep appellants bezwaar tegen het besluit van
18 januari 2005 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is hetgeen appellant heeft aangevoerd niet aan te merken als een uitzonderlijke omstandigheid als bedoeld in artikel 11.5 van de Wet studiefinanciering 2000 op grond waarvan de IB-Groep gehouden zou zijn om in afwijking van de wettelijke bepalingen alsnog met terugwerkende kracht een aanvullende beurs toe te kennen.
Appellant is het niet eens met de aangevallen uitspraak. Hij stelt dat hij al die keren aan de telefoon wel degelijk aan het lijntje is gehouden. Hij stelt dat hij alles goed heeft uitgelegd, maar dat hij niet het goede antwoord heeft gekregen. Pas na een jaar, aan de balie in Deventer, kwam hij er achter dat hij wel degelijk recht had op een aanvullende beurs.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Appellant heeft zelf een fout gemaakt door op het studiefinancierings- aanvraagformulier niet aan te kruisen dat hij ook een aanvullende beurs wenste. Hij heeft vervolgens geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om binnen de bezwaartermijn een bezwaarschrift in te dienen tegen de toekenningsbeschikking, in welk geval de door hem bij de aanvraag gemaakte fout nog hersteld had kunnen worden. Appellant heeft er daarentegen voor gekozen om eindeloos met de IB-Groep te bellen. Er kan echter niet met zekerheid worden vastgesteld wat appellant in die telefoongesprekken precies heeft gevraagd, welke informatie hem in antwoord op zijn vragen is verstrekt en hoe hij die informatie heeft begrepen. De Raad is dan ook van oordeel dat de IB-Groep in het bestreden besluit terecht heeft overwogen dat niet is gebleken dat aan appellant ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan en dat ook niet is gebleken dat gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt die moeten worden gehonoreerd.
Het hoger beroep treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
Er zijn geen termen aanwezig voor vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 november 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.H.A. Uri.