ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2517

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-325 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verhoging WAO-dagloon met terugwerkende kracht en rentevergoeding

Appellant heeft aan betrokkene een WAO-uitkering toegekend met een dagloon vastgesteld op basis van verstrekte gegevens. Na een verzoek tot herziening verhoogde appellant het dagloon met terugwerkende kracht. Betrokkene kreeg rentevergoeding over de nabetaling toegekend, maar appellant betwistte de omvang en het tijdstip van rentevergoeding.

De rechtbank oordeelde dat appellant rente vanaf 1 december 1992 moest vergoeden en vernietigde het besluit van appellant over rentevergoeding. Appellant erkende de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit, maar stelde dat de gevolgen daarvan voor risico van betrokkene moesten komen.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het standpunt van appellant over het gelijkheidsbeginsel en bevestigt de vernietiging van het besluit, omdat appellant rente over rente niet had toegekend. De Raad veroordeelt appellant tot betaling van proceskosten aan betrokkene en beveelt een nieuw besluit op bezwaar.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en appellant moet een nieuw besluit nemen met betrekking tot rentevergoeding en proceskosten betalen.

Uitspraak

05/325 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 6 januari 2005, 04/1055
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
[betrokkene] (hierna: betrokkene)
Datum uitspraak: 31 augustus 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2006. Namens appellant is verschenen F.P.L. Smeets, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en namens betrokkene is verschenen mr. Brauer, voornoemd.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
Bij besluit van 11 november 1992 heeft appellant aan betrokkene met ingang van 31 augustus 1992 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van betrokkene van 14 december 1999 heeft appellant bij besluit van 3 december 2002 het WAO-dagloon met volledig terugwerkende kracht verhoogd.
Bij besluit van 27 mei 2004 heeft appellant een bedrag ad € 937,13 aan wettelijke rente toegekend. Bij het bestreden besluit op bezwaar van 14 juli 2004 is het bezwaar tegen het besluit van 27 mei 2004 gegrond verklaard en is aan betrokkene een bedrag ad € 1102,62 aan wettelijke rente toegekend. Dit betreft rentevergoeding over het totaalbedrag aan nabetaling over de periode van 31 augustus 1992, ingaande 1 maart 2000 tot aan de datum waarop het laatste deel van de nabetaling plaatsvond, te weten 26 mei 2004.
Volgens de rechtbank dient appellant ingaande 1 december 1992 wettelijke rente te vergoeden.
Appellant erkent dat het besluit van 11 november 1992 onrechtmatig was, maar vindt dat de gevolgen van de onrechtmatigheid van dat besluit veeleer voor risico van betrokkene dienen te komen. Het dagloon is destijds vastgesteld op basis van de gegevens die door betrokkene en zijn werkgever zijn verstrekt. Betrokkene heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen de dagloonvaststelling en heeft eerst na verloop van lange tijd verzocht om herziening van het dagloon. Eerst na afloop van de wettelijke beslistermijn op het verzoek van 14 december 1999 meent betrokkene gehouden te zijn wettelijke rente te vergoeden.
De Raad overweegt als volgt.
Zoals blijkt uit de uitspraak van de Raad van 15 december 2005 (LJN: AU8835) onderschrijft de Raad het standpunt van appellant. Uit de uitspraak van de Raad van 14 juli 2005 (LJN AU0008) volgt dat het beroep van betrokkene op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.
Het voorgaande betekent echter niet dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Ter zitting is gebleken dat appellant heeft verzuimd rente over rente toe te kennen.
De rechtbank heeft dan ook het bestreden besluit terecht vernietigd, zij het op onjuiste gronden. Het hoger beroep slaagt dan ook niet.
De Raad ziet in één en ander aanleiding appellant te veroordelen tot betaling van de kosten die betrokkene in verband met het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaar van betrokkene;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene, tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.M.T. Kruls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2006.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) C.M.T. Kruls.