ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2518

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-658 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verhoging WW-dagloon met terugwerkende kracht en vergoeding rente

De zaak betreft het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) tegen een uitspraak van de rechtbank Maastricht over de verhoging van het WW-dagloon van betrokkene met terugwerkende kracht en de vergoeding van wettelijke rente.

Betrokkene ontving vanaf 3 januari 1994 een WW-uitkering op basis van een vastgesteld dagloon. Na een verzoek van betrokkene in april 2002 verhoogde het UWV het dagloon met terugwerkende kracht per januari 1994. Het UWV weigerde aanvankelijk wettelijke rente te vergoeden over de nabetaling, maar kende deze later toe over de periode van 1 juli 2002 tot 5 maart 2003. De rechtbank oordeelde dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was en dat het UWV vanaf 1 februari 1994 wettelijke rente verschuldigd was.

Het UWV erkende de onrechtmatigheid maar stelde dat de gevolgen daarvan voor risico van betrokkene kwamen, omdat het dagloon destijds was vastgesteld op basis van verstrekte gegevens en betrokkene pas na acht jaar om herziening vroeg. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV de wettelijke beslistermijn had overschreden en dat de rentevergoeding terecht was toegekend vanaf 1 juli 2002. Echter, het UWV had verzuimd rente over rente toe te kennen, waardoor het bestreden besluit werd vernietigd en het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot betaling van de proceskosten van betrokkene, vastgesteld op €644 voor verleende rechtsbijstand. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd met de kanttekening dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak.

Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt afgewezen en het besluit van de rechtbank bevestigd met de verplichting tot een nieuw besluit en betaling van proceskosten.

Uitspraak

04/658 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 19 december 2003, 03/916 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
[betrokkene] (hierna: betrokkene)
en
appellant
Datum uitspraak: 31 augustus 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2006. Namens appellant is verschenen mr. R.G. Willems-Cremers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en namens betrokkene is verschenen mr. Brauer, voornoemd.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
Bij besluit van 28 januari 1994 heeft appellant aan betrokkene met ingang van 3 januari 1994 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van betrokkene van 9 april 2002 heeft appellant bij besluit van 18 december 2002 het WW-dagloon met volledig terugwerkende kracht verhoogd.
Bij besluit van 21 maart 2003 heeft appellant geweigerd wettelijke rente te vergoeden over de nabetaling, bij bestreden besluit op bezwaar van 20 juni 2003 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 21 maart 2003 gegrond verklaard en aan betrokkene over de periode 1 juli 2002 tot 5 maart 2003, zijnde de datum van de nabetaling, wettelijke rente toegekend.
Volgens de rechtbank moet besluit van 28 januari 1994 als onrechtmatig worden aangemerkt en de rechtbank is van oordeel dat appellant ingaande 1 februari 1994 wettelijke rente is verschuldigd.
Appellant erkent dat het besluit van 28 januari 1994 onrechtmatig was, maar vindt dat de gevolgen van de onrechtmatigheid van dat besluit veeleer voor risico van betrokkene dienen te komen. Het dagloon is destijds vastgesteld op basis van de gegevens die door betrokkene en zijn werkgever zijn verstrekt. Betrokkene heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen de dagloonvaststelling en heeft eerst na verloop van acht jaar verzocht om herziening van het dagloon.
De Raad overweegt als volgt.
Zoals blijkt uit de uitspraak van de Raad van 15 december 2005 (LJN: AU8835) onderschrijft de Raad het standpunt van appellant.
Zoals uit die uitspraak ook blijkt, had appellant wel binnen de wettelijke beslistermijn op het op 10 april 2002 ontvangen verzoek van betrokkene van 9 april 2002 moeten beslissen. Door dit eerst op 18 december 2002 te doen is die termijn overschreden. Terecht heeft appellant in verband daarmee besloten ingaande 1 juli 2002 wettelijke rente over de nabetaling te vergoeden.
Het voorgaande betekent echter niet dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Ter zitting is gebleken dat appellant heeft verzuimd rente over rente toe te kennen.
De rechtbank heeft dan ook het bestreden besluit terecht vernietigd, zij het op onjuiste gronden. Het hoger beroep slaagt dan ook niet.
De Raad ziet in één en ander aanleiding appellant te veroordelen tot betaling van de kosten die betrokkene in verband met het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaar van betrokkene;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene, tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.M.T. Kruls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2006.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) C.M.T. Kruls.