ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2518
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verhoging WW-dagloon met terugwerkende kracht en vergoeding rente
De zaak betreft het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) tegen een uitspraak van de rechtbank Maastricht over de verhoging van het WW-dagloon van betrokkene met terugwerkende kracht en de vergoeding van wettelijke rente.
Betrokkene ontving vanaf 3 januari 1994 een WW-uitkering op basis van een vastgesteld dagloon. Na een verzoek van betrokkene in april 2002 verhoogde het UWV het dagloon met terugwerkende kracht per januari 1994. Het UWV weigerde aanvankelijk wettelijke rente te vergoeden over de nabetaling, maar kende deze later toe over de periode van 1 juli 2002 tot 5 maart 2003. De rechtbank oordeelde dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was en dat het UWV vanaf 1 februari 1994 wettelijke rente verschuldigd was.
Het UWV erkende de onrechtmatigheid maar stelde dat de gevolgen daarvan voor risico van betrokkene kwamen, omdat het dagloon destijds was vastgesteld op basis van verstrekte gegevens en betrokkene pas na acht jaar om herziening vroeg. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV de wettelijke beslistermijn had overschreden en dat de rentevergoeding terecht was toegekend vanaf 1 juli 2002. Echter, het UWV had verzuimd rente over rente toe te kennen, waardoor het bestreden besluit werd vernietigd en het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot betaling van de proceskosten van betrokkene, vastgesteld op €644 voor verleende rechtsbijstand. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd met de kanttekening dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak.
Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt afgewezen en het besluit van de rechtbank bevestigd met de verplichting tot een nieuw besluit en betaling van proceskosten.